Tourwinnaars verwerven doorgaans eenn aureool van onsterfelijkheid. De ene al wat meer dan de andere. Philippe Thys bijvoorbeeld, die zegevierde in 1913, 1914 en 1920, sprak het publiek door zijn berekende manier van koersen absoluut niet aan. Nochtans was de Brusselaar erg professioneel. Thys scheerde zelfs zijn snor af om de luchtweerstand te verminderen. En hij kon geduldig wachten op fouten van anderen. Maar daarmee verzorg je natuurlijk het spektakel niet.

De Waal Firmin Lambot, die triomfeerde in 1919 en 1921, wist de mensen al evenmin te beroeren. Nochtans reed hij zo gezwind bergop dat hij zelfs tijdens de steilste beklimmingen nooit voet aan de grond moest zetten. Lambot kwam uit Florennes, net zoal de Tourwinnaar van 1921, Leon Scieur die pas op zijn 22e had leren fietsen.

Totaal anders was het bij Odiel Defraeye, in 1912 de eerste Belgische Tourwinnaar. Heel Brussel liep toen uit om de West-Vlaming te begroeten. Supporters kropen op de tramstellen om een glimp op te vangen van Defraeye. Hij verdiende met zijn zege 32.000 goudfranken, 40 lonen van een borstelmaker, een job die Odiel tot voor zijn professionele wielercarrière had uitgeoefend. Ook andere West-Vlamingen zetten het land in vuur en vlam. Sylvère Maes bijvoorbeeld, winnaar in 1936 en 1939, van wie werd gezegd dat hij elke dag een pekelharing at en ook de kop van deze vis oppeuzelde. Dat gaf hem kennelijk kracht. Of Romain Maes die in 1935 in de eerste rit de gele trui pakte en die niet meer afstond. Hij won in 1935 de Tour waarin hij 28 keer lek was gereden. En dan had je nog de Oost-Vlaming Lucien Buysse, in 1926 winnaar van de langste Tour uit de geschiedenis: 5745 kilometer en zeventien ritten van gemiddeld 338 kilometer. Of nog een Oost-Vlaming, de bescheiden Maurice De Waele, winnaar in 1929 nadat hij tijdens een etappe over de Galibier zo diep was gegaan om zijn gele trui te verdedigen dat hij na de aankomst in zwijm viel.

Maar niemand bracht het land in zo'n delirium als Eddy Merckx. De pers danste wild mee op de golven van de euforie toen hij in 1969, 30 jaar na Sylvère Maes, de Tour won. 'Juicht Belgen, juicht een droom is in vervulling gegaan', schreef Louis Clicteur toen, de chef-sport van Het Laatste Nieuws die in het milieu gold als de wielerpaus. In alle Belgische criteriums die Merckx nadien afschuimde, zag het zwart van het volk.

Maar haast nog meer dan Eddy Merckx wordt Lucien Van Impe vrijwel dagelijks aangesproken over zijn Tourzege in 1976. Toen het in 2016 precies 40 jaar geleden was dat hij de won, werd dat in zijn dorp Mere met een zelden gezien enthousiasme gevierd. Sommige straten waren zowaar geschilderd in het geel. En Van Impe mocht nog maar eens grasduinen in het verleden en vertellen over de tijd van toen waarin hij op de cols tien kilometer sneller reed dan de anderen.

Straks vertrekt de Tour in Nice. Het zijn andere tijden. Renners zijn minder toegankelijk en leven in een cocon. Voorbij is de tijd dat je hen probleemloos op hun kamer kon gaan interviewen zoals we dat ooit meemaakten in de Tour van 1992. De avond voor de laatste etappe praatten we een uur lang met Laurent Jalabert die dat jaar de groene trui zou winnen. De Fransman nam er alle tijd voor. Nu gebeuren interviews met toprenners collectief. Wie geluk heeft, kan een vraag stellen. Wat volgt is vaak een antwoord, gedistilleerd uit het grote clichéboek.

Tourwinnaars verwerven doorgaans eenn aureool van onsterfelijkheid. De ene al wat meer dan de andere. Philippe Thys bijvoorbeeld, die zegevierde in 1913, 1914 en 1920, sprak het publiek door zijn berekende manier van koersen absoluut niet aan. Nochtans was de Brusselaar erg professioneel. Thys scheerde zelfs zijn snor af om de luchtweerstand te verminderen. En hij kon geduldig wachten op fouten van anderen. Maar daarmee verzorg je natuurlijk het spektakel niet.De Waal Firmin Lambot, die triomfeerde in 1919 en 1921, wist de mensen al evenmin te beroeren. Nochtans reed hij zo gezwind bergop dat hij zelfs tijdens de steilste beklimmingen nooit voet aan de grond moest zetten. Lambot kwam uit Florennes, net zoal de Tourwinnaar van 1921, Leon Scieur die pas op zijn 22e had leren fietsen.Totaal anders was het bij Odiel Defraeye, in 1912 de eerste Belgische Tourwinnaar. Heel Brussel liep toen uit om de West-Vlaming te begroeten. Supporters kropen op de tramstellen om een glimp op te vangen van Defraeye. Hij verdiende met zijn zege 32.000 goudfranken, 40 lonen van een borstelmaker, een job die Odiel tot voor zijn professionele wielercarrière had uitgeoefend. Ook andere West-Vlamingen zetten het land in vuur en vlam. Sylvère Maes bijvoorbeeld, winnaar in 1936 en 1939, van wie werd gezegd dat hij elke dag een pekelharing at en ook de kop van deze vis oppeuzelde. Dat gaf hem kennelijk kracht. Of Romain Maes die in 1935 in de eerste rit de gele trui pakte en die niet meer afstond. Hij won in 1935 de Tour waarin hij 28 keer lek was gereden. En dan had je nog de Oost-Vlaming Lucien Buysse, in 1926 winnaar van de langste Tour uit de geschiedenis: 5745 kilometer en zeventien ritten van gemiddeld 338 kilometer. Of nog een Oost-Vlaming, de bescheiden Maurice De Waele, winnaar in 1929 nadat hij tijdens een etappe over de Galibier zo diep was gegaan om zijn gele trui te verdedigen dat hij na de aankomst in zwijm viel.Maar niemand bracht het land in zo'n delirium als Eddy Merckx. De pers danste wild mee op de golven van de euforie toen hij in 1969, 30 jaar na Sylvère Maes, de Tour won. 'Juicht Belgen, juicht een droom is in vervulling gegaan', schreef Louis Clicteur toen, de chef-sport van Het Laatste Nieuws die in het milieu gold als de wielerpaus. In alle Belgische criteriums die Merckx nadien afschuimde, zag het zwart van het volk.Maar haast nog meer dan Eddy Merckx wordt Lucien Van Impe vrijwel dagelijks aangesproken over zijn Tourzege in 1976. Toen het in 2016 precies 40 jaar geleden was dat hij de won, werd dat in zijn dorp Mere met een zelden gezien enthousiasme gevierd. Sommige straten waren zowaar geschilderd in het geel. En Van Impe mocht nog maar eens grasduinen in het verleden en vertellen over de tijd van toen waarin hij op de cols tien kilometer sneller reed dan de anderen.Straks vertrekt de Tour in Nice. Het zijn andere tijden. Renners zijn minder toegankelijk en leven in een cocon. Voorbij is de tijd dat je hen probleemloos op hun kamer kon gaan interviewen zoals we dat ooit meemaakten in de Tour van 1992. De avond voor de laatste etappe praatten we een uur lang met Laurent Jalabert die dat jaar de groene trui zou winnen. De Fransman nam er alle tijd voor. Nu gebeuren interviews met toprenners collectief. Wie geluk heeft, kan een vraag stellen. Wat volgt is vaak een antwoord, gedistilleerd uit het grote clichéboek.