Wordt Mathieu Van der Poel de beste veldrijder aller tijden? Tot dusver gaat die eer nog altijd naar Eric De Vlaeminck die een soort balletdanser was in het veld. Met een perfecte combinatie van techniek en behendigheid zweefde hij over de omlopen en gaf nooit de indruk dat hij een inspanning leverde. De Vlaeminck was eigenlijk een pure crosser: bij het vallen van de bladeren werd hij een andere mens.

Of moeten de prestaties van Sven Nys hoger worden aangeschreven? Zestien jaar lang regeerde de Brabander bij de profs, al leverde dat slechts twee wereldtitels op omdat hij lang geremd werd door faalangst. Vaak maakte Nys het verschil door zijn techniek. Hij koppelde zijn klasse aan een zelden geziene professionele ingesteldheid.

Maar de meest charismatische is allicht Roland Liboton die veertig jaar geleden in het Zwitserse Wetzikon zijn eerste van vier wereldtitels bij de profs pakte en de Zwitserse favoriet en viervoudige wereldkampioen Albert Zweifel klopte. Liboton, die ook één keer wereldkampioen werd bij de amateurs, heette een flierefluiter te zijn, een beeld dat hij graag cultiveerde. Maar trainen met hem was een echte kwelling. Soms stond hij in het midden van de nacht op om aan zijn fiets te sleutelen en de positie te veranderen. Hij was voortdurend opgejaagd, al gaf hij niet die indruk. Liboton, een liefhebber van snelle auto's en mooie vrouwen, nam soms snoeverige taal in de mond. Dan zei hij bijvoorbeeld aan Albert Zweifel, zijn opponent in de jaren tachtig, voor de start van een cross in Zwitserland dat hij hem op een halve minuut zou rijden. De Helveet, die ook vier keer wereldkampioen werd, trok dan wit weg.

Veldrijders zijn door de generaties heen moeilijk met elkaar te vergelijken. Dat heeft ook te maken met de evolutie van deze discipline. Ooit was er een tijd dat het veldrijden vooral bestond uit veldlopen en kwam het er op aan in de modder overeind te blijven. Op die manier kon de Italiaan Renato Longo vijf wereldtitels veroveren. Met zijn lange benen baggerde hij door het slijk. Tien jaar lang domineerde de bakkerszoon dit wereldje. Maar de eerste heerser van het cyclocrossen was de Fransman André Dufraisse. Tussen 1954 en 1958 pakte hij vijf opeenvolgende regenboogtruien. Eigenlijk droomde Dufraisse van een carrière als wegrenner, maar de schrik om te vallen zat er zo diep ingebakken dat hij zijn fiets aan de haak wilde hangen. Tot hij in het veld belandde.

Veel is er sindsdien veranderd. De omlopen werden sneller, de renners veelzijdiger. Vroeger waren veldrijders in grote wegwedstrijden figuranten. Al waren er natuurlijk uitzonderingen. Zoals de Duitser Rolf Wolfshohl die drie keer wereldkampioen werd en in 1965 de Ronde van Spanje won. En zoals uiteraard Roger de Vlaeminck. Maar zij aanzagen het veldrijden louter en alleen als voorbereiding op het wegseizoen. Zij het een rijkelijk gehonoreerde voorbereiding.

Wordt Mathieu Van der Poel de beste veldrijder aller tijden? Tot dusver gaat die eer nog altijd naar Eric De Vlaeminck die een soort balletdanser was in het veld. Met een perfecte combinatie van techniek en behendigheid zweefde hij over de omlopen en gaf nooit de indruk dat hij een inspanning leverde. De Vlaeminck was eigenlijk een pure crosser: bij het vallen van de bladeren werd hij een andere mens.Of moeten de prestaties van Sven Nys hoger worden aangeschreven? Zestien jaar lang regeerde de Brabander bij de profs, al leverde dat slechts twee wereldtitels op omdat hij lang geremd werd door faalangst. Vaak maakte Nys het verschil door zijn techniek. Hij koppelde zijn klasse aan een zelden geziene professionele ingesteldheid.Maar de meest charismatische is allicht Roland Liboton die veertig jaar geleden in het Zwitserse Wetzikon zijn eerste van vier wereldtitels bij de profs pakte en de Zwitserse favoriet en viervoudige wereldkampioen Albert Zweifel klopte. Liboton, die ook één keer wereldkampioen werd bij de amateurs, heette een flierefluiter te zijn, een beeld dat hij graag cultiveerde. Maar trainen met hem was een echte kwelling. Soms stond hij in het midden van de nacht op om aan zijn fiets te sleutelen en de positie te veranderen. Hij was voortdurend opgejaagd, al gaf hij niet die indruk. Liboton, een liefhebber van snelle auto's en mooie vrouwen, nam soms snoeverige taal in de mond. Dan zei hij bijvoorbeeld aan Albert Zweifel, zijn opponent in de jaren tachtig, voor de start van een cross in Zwitserland dat hij hem op een halve minuut zou rijden. De Helveet, die ook vier keer wereldkampioen werd, trok dan wit weg.Veldrijders zijn door de generaties heen moeilijk met elkaar te vergelijken. Dat heeft ook te maken met de evolutie van deze discipline. Ooit was er een tijd dat het veldrijden vooral bestond uit veldlopen en kwam het er op aan in de modder overeind te blijven. Op die manier kon de Italiaan Renato Longo vijf wereldtitels veroveren. Met zijn lange benen baggerde hij door het slijk. Tien jaar lang domineerde de bakkerszoon dit wereldje. Maar de eerste heerser van het cyclocrossen was de Fransman André Dufraisse. Tussen 1954 en 1958 pakte hij vijf opeenvolgende regenboogtruien. Eigenlijk droomde Dufraisse van een carrière als wegrenner, maar de schrik om te vallen zat er zo diep ingebakken dat hij zijn fiets aan de haak wilde hangen. Tot hij in het veld belandde.Veel is er sindsdien veranderd. De omlopen werden sneller, de renners veelzijdiger. Vroeger waren veldrijders in grote wegwedstrijden figuranten. Al waren er natuurlijk uitzonderingen. Zoals de Duitser Rolf Wolfshohl die drie keer wereldkampioen werd en in 1965 de Ronde van Spanje won. En zoals uiteraard Roger de Vlaeminck. Maar zij aanzagen het veldrijden louter en alleen als voorbereiding op het wegseizoen. Zij het een rijkelijk gehonoreerde voorbereiding.