Judo-idolen

Yves Lampaert: 'Ik begon met judo op mijn zesde, in 1997. De glorieperiode van het Belgische judo, na de succesvolle Olympische Spelen in Atlanta, het fameuze EK in Oostende. Zeker in West-Vlaanderen leefde dat enorm, met Ulla Werbrouck, Gella Vandecaveye... Zij en Harry Van Barneveld waren mijn idolen toen mijn moeder me inschreef bij Kawaishi Ingelmunster. Koersidolen had ik toen niet, ook niet Johan Museeuw.
...

Yves Lampaert: 'Ik begon met judo op mijn zesde, in 1997. De glorieperiode van het Belgische judo, na de succesvolle Olympische Spelen in Atlanta, het fameuze EK in Oostende. Zeker in West-Vlaanderen leefde dat enorm, met Ulla Werbrouck, Gella Vandecaveye... Zij en Harry Van Barneveld waren mijn idolen toen mijn moeder me inschreef bij Kawaishi Ingelmunster. Koersidolen had ik toen niet, ook niet Johan Museeuw. 'Pas toen ik op mijn zestiende begon te koersen, werden Tom Boonen en Philippe Gilbert mijn nieuwe helden. En stopte ik ook met judo. Bij de cadetten had ik wel de Belgische titel veroverd, maar ik trainde slechts tweemaal per week, waardoor ik bij de beloften tekortschoot tegen de leerlingen van de topsportschool. Mijn ouders hadden als landbouwers ook geen tijd om mij naar alle trainingen en toernooien te voeren. 'Koersen was praktisch veel makkelijker - ik kon van thuis op training vertrekken, er waren veel juniorenwedstrijden in de streek - en ik werd ook meer gestimuleerd: mijn neef Stijn Neirynck koerste als prof bij Topsport Vlaanderen, meetje en peetje, tante en nonkel waren grote wielerfans, ik had een diehardsupporter die mij overal rond bracht... En als ik een koers won, dan kreeg ik ook veel meer aandacht in de regionale krantenpagina's.' Matthias Casse: 'De gouden Belgische judojaren heb ik nooit meegemaakt, want ik begon pas in 2003 met judo, ook op mijn zesde. We waren met vier zeer actieve jongens thuis, en dus zocht mijn moeder een sport. Géén voetbal, beter een individuele sport als judo, waar ik beter mijn energie kwijt kon. Ik vond dat heel plezant, en toen ik vanaf mijn elfde naar de topsportschool ging, begon mijn droom te kiemen: ooit de allerbeste worden. Met Dirk Van Tichelt, die in 2008 de Europese titel pakte en als vijfde eindigde op de Spelen, als voorbeeld. Extra mooi dat hij later mijn mentor en vaste trainingsgezel werd.' Casse: 'Dat in judo veel minder geld omgaat dan in het voetbal, of zelfs in het wielrennen, heeft mij nooit tegengehouden. Toen ik begon, had ik zelfs geen benul van hoeveel ik ooit zou verdienen. Ik deed judo omdat ik het leuk vond, en nog altijd. De media-aandacht, de financiële verdiensten: dat is wel belangrijk, maar ik hoef niet per se miljonair te worden. Dat is een utopie zelfs. Als wereldtopper kan ik, mede door enkele persoonlijke sponsors, er nu wel goed van leven, maar ik verdien zeker niet zoveel als de top vijftig van de beste renners.' Lampaert: 'Ik mag inderdaad zeker niet klagen. Al was dat ook bij mij nooit een drijfveer. Voor ik mijn eerste minimumcontract bij Topsport-Vlaanderen tekende, dacht ik zelfs niet dat ik ooit prof zou worden.' Casse: 'Het is ook regionaal gebonden, hé. Russen of Kazakken die olympisch goud behalen zijn financieel binnen. Ook een superkampioen als Teddy Riner heeft in Frankrijk al een paar miljoen verdiend. En da's net over de grens.' Lampaert: 'Judo krijgt hier helaas veel te weinig aandacht van de tv-zenders. Het EK, dat zouden ze toch moeten uitzenden? Toch zeker op een van de betaalzenders, in plaats van al die herhalingen van voetbalmatchen?' Casse: 'Zowat alle grote judotoernooien worden nochtans live gestreamd op de website van de Internationale Judofederatie. En ik denk niet dat zenders daar veel voor zouden moeten betalen... 'Sowieso zullen de gouden Belgische jaren met vier, vijf medailles op grote kampioenschappen nooit meer terugkeren. Daarvoor is het niveau te veel gestegen en worden de medailles nu meer tussen verschillende landen verdeeld. Vorig jaar namen aan het WK zelfs judoka's uit 149 landen deel! Hoeveel waren dat er in de Tour?' Lampaert: 'Een dertigtal... Er zijn nu wel meer toppers uit Zuid-Amerika en de Angelsaksische landen, maar wielrennen blijft vooral een Europese sport. In België duiken om de zoveel jaar nieuwe wereldtoppers op naar wie jongeren kunnen opkijken. Die rol zou Matthias in het judo kunnen vervullen. Zeker als hij goud behaalt in Tokio, zou dat het Belgische judo een boost kunnen geven. Een perfect rolmodel, toch?' ( lacht) Casse 'Ik probeer dat toch te zijn. ( lacht) Door vooral mezelf te blijven: rustig, nuchter, voeten op de grond. Al zeg ik in interviews wel wat ik denk, zonder te vervallen in clichés of onnozelheden. Hoe je iets verpakt, is ook heel belangrijk. Het moet vooral natuurlijk en echt overkomen.' Lampaert: 'Inderdaad, dat levert de meeste sympathie op. Als ik win, zoals onlangs in Brugge-De Panne, ga ik me niet inhouden om in het dialect mijn vriend en ploeggenoot Tim Declercq met zijn tweede plaats te feliciteren en te zeggen dat hij ' noa Patje (Lefevere, nvdr) moe bell'n' ( lacht) Dan houd ik zelfs geen rekening met de tv-camera.' Casse: 'Een van de moeilijkste aspecten van judo is het evenwicht bewaren tussen voldoende agressief zijn en je emoties onder controle houden. Als je als een gek begint aan te vallen, lig je vijf seconden later op de grond. Je moet wachten op het goede moment, bepalen hóé je kunt winnen. Dat hoeft niet met een spectaculaire ippon te zijn, je kunt ook iemand uit zijn emotionele comfortzone proberen te halen tot hij in de fout gaat. Ik houd me ook steevast aan mijn tactisch plan. Als ik iemands mouw wil vastnemen, en dat lukt niet meteen, dan blijf ik proberen. Die structuur is heel belangrijk. Iets om op terug te vallen als de kamp niet loopt zoals gewenst.' Lampaert: 'Ook koersen is veel meer dan domweg op de pedalen duwen. In Brugge-De Panne lette ik er bijvoorbeeld op dat ik in de waaiers niet te veel op kop kwam bij tegenwind en vooral kopbeurten deed met de wind in de rug. Zo had ik op het einde genoeg overschot voor mijn winnende aanval. Timing is in het wielrennen, zoals in het judo, dikwijls cruciaal. Vaak afhankelijk ook van superbenen, waardoor je mentaal frisser bent en je zo de juiste beslissingen neemt. Zoals op het BK in Binche in 2018, waar alles lukte. 'Toch kan je ook overmoedig worden. In de E3 Harelbeke eerder dat jaar reed ik samen met mijn ploegmaat Niki Terpstra weg op 70 kilometer van de aankomst. Ik bleef op kop sleuren, met Niki in het wiel. Los naar Harelbeke! Dácht ik. Want plots: een klop van de hamer...' Casse: 'Onverklaarbaar waarom je soms plots dat supergevoel beet hebt. Ik herinner me nog de European Open in 2017, toen ik pas senior was en dus zonder complexen kon vechten. Alles ging als vanzelf en zo won ik mijn eerste seniorentoernooi! 'Maar zelfs op die superdagen mag je niet denken dat je iemand vlug onder de mat zult steken, want dan verlies je weer die focus. Dat zit sowieso ook niet in mijn karakter. Ik blijf rustig, wat ook helpt als ik me tijdens de eerste kampen minder goed voel, om daarna te groeien richting de finale.' Casse: 'Bij de junioren had ik daar veel last van. Op het EK in 2017 verloor ik als topfavoriet al in de eerste ronde. Gebukt onder de spanning, zoals op bijna alle kampioenschappen de jaren ervoor. Met mijn coach ( de Nederlander Mark van der Ham, nvdr) en Dirk Van Tichelt heb ik toen hard op gewerkt om die stress los te laten. Me vooral een nieuwe mindset ingepompt: alle toernooien als dezelfde beschouwen, alleen met mezelf bezig zijn en uitgaan van mijn eigen sterkte. Zoals Dirk vaak zei: 'Los in de kop en fighten. ' 'Met die gedachte pakte ik een maand later goud op het WK. Een kantelpunt in mijn carrière. Niet dat ik nu chill de mat opstap, maar het is positieve druk. En hoe ouder ik ben, hoe beter ik dat kan plaatsen.' Lampaert: 'Als judoka had ik altijd machtig veel stress, ik ging kapot van de gedachte dat de kamp in een flits voorbij kon zijn, met één ippon. In het wielrennen daarentegen kon ik een verkeerde beslissing wel nog rechtzetten. Daarom was ik van bij de junioren nooit zenuwachtig. Ik startte, en nog altijd, met het idee: gewoon knallen. Goestingnerveus, niet ontziennerveus, zelfs niet voor de Ronde van Vlaanderen. Alleen voor een tijdrit was ik in het verleden soms wat gestresseerd, maar naarmate ik leerde hoe je de voorbereiding moet aanpakken, kreeg ik ook daarin meer vertrouwen.' Casse: 'De laatste aanloop naar een wedstrijd is inderdaad heel belangrijk. In mijn geval door op een competitiedag niet de hele tijd geconcentreerd te zijn. Pas kort voor een kamp bespreek ik met mijn coach mijn tactiek en draai ik de focusknop om. Tussen de gevechten probeer ik te relaxen - Dirk was daar een meester in, ook op training. Daar hebben we een heel goeie groep waarbij we elkaar pushen en toch veel lachen. Zo ga je automatisch mee in die flow.' Lampaert: 'Een treffende gelijkenis met The Wolfpack bij Deceuninck-Quick-Step - ook daar werkt de winnaarsmentaliteit in élke koers aanstekelijk - en met mijn trainingsgroep De Melkerie. Evenveel als hard trainen maken we daar leute. En hoe meer je je zo amuseert, hoe meer je met plezier afziet én beter wordt - een sneeuwbaleffect. Dat is ook mijn eerste raad aan jonge wielrenners: 'Vorm een goede trainingsgroep, dan komt de rest vanzelf.' En als je zelf geen prof wordt, dan misschien een trainingsgenoot, en dan heb je daar ook een aandeel in gehad.' Casse: 'Als tiener was winnen álles, verliezen dat kon niet. Ik ben toen vaak over de schreef gegaan, door met mijn judogordel te gooien. Maar daar leer je uit, en hoe ouder je wordt, hoe beter je met die ontgoocheling en boosheid omgaat. Een les die je ook meeneemt in het 'gewone' leven: dat je niet alles kan krijgen wat je wil. Zoals ook het grote respect dat je in het judo voor je tegenstander moet tonen: na elke kampen buigen, handen schudden... een mooie waarde.' Lampaert: 'Dezelfde lessen die ik ook in het judo geleerd heb. Met horten en stoten, want het is frustrerend als je domineert en door één beweging van je opponent toch verliest. Of door een al dan niet verkeerde beslissing van de scheidsrechter. Na mijn allerlaatste kamp, die ik had verloren op strafpunten, was ik zelfs zó kwaad dat ik mijn hand uitstak naar de ref en terugtrok. Daar heb ik nog altijd spijt van. 'Die ervaringen hebben me later wel erg geholpen. Als coureur mag je immers al blij zijn als je vijf procent van je koersen wínt. De euforie is die weinige keren wel intenser dan indertijd in het judo. Een heel peloton verslaan is echt een machtig gevoel, dat ook langer blijft hangen.' Casse: 'Het verschil is: Yves bouwt in een koers op naar dat ene moment: de finish. In het judo is die ontlading iets minder groot, omdat je zes kampen moet vechten waarbij je telkens de concentratie op- en afbouwt. Zelfs na een gewonnen finale zit ik meteen erna nog vaak in die focus. Bovendien kan je - uit respect voor de tegenstander - niet als een gek beginnen te juichen. Het échte gelukzalige gevoel komt pas later. 'Is dat gevoel dé reden waarom ik judo doe? Voor een deel, maar ik beschouw dat als een bonus. Iemand op training, zonder toeschouwers, met een perfecte beweging op zijn rug gooien, daar kan ik evenveel van genieten. Dé sleutel tot succes: je amuseren in het procés naar een kampioenschap. Niet focussen op de uitkomst.' Casse: 'Ik volg zowat alle sporten, zeker die met de Belgische olympiërs, van wie ik er intussen veel persoonlijk ken. Belangrijk met het oog op de Spelen, om dat Team Belgium-gevoel creëren. 'Een wielerfreak ben ik wel niet. De Ronde van Vlaanderen heb ik gezien, maar veeleer toevallig, omdat thuis de tv opstond. Meer tijd spendeer ik zelfs als áctieve fietser. Elke dag van thuis naar het topsportcentrum in Wilrijk, en terug, tweemaal acht kilometer. Zelfs als het regent. Een ideale opwarming of cooling down, fysiek én mentaal. Al trap ik wel stevig door: 's morgens, weliswaar meestal met rugwind, doe ik er een kwartier over. Met goed dertig kilometer per uur, op een citybike. Verder reiken mijn fietsambities niet hoor. Mijn verste tocht ooit was naar Zeeland, met een maat, op mijn vijftiende. Een héél lange dag. Peanuts echter in vergelijking met een Ronde van Vlaanderen van 260 kilometer... Onvoorstelbaar lastig, lijkt me.' Lampaert: 'Het zijn twee totaal verschillende sporten, hé. Judo is als contactsport heel belastend voor de spieren. Na een kamp van vier of meer minuten kan je compleet verzuurd en stijf zijn. Toch moet ik van een klassieker veel langer herstellen dan van een competitiedag in het judo - al was dat wel op lager niveau. 'Anderzijds vond ik de judotrainingen veel intensiever dan de fietstrainingen: altijd man tegen man, van de ene hoek naar de andere gegooid worden... Misschien blink ik daarom nu uit in het tijdrijden, want daarin fiets je ook continu tegen en net over je limiet.' Casse: 'De kunst is vooral om te weten hoe ver je kunt gaan op training. Een moeilijke oefening: balanceren tussen net genoeg vechten tot je er profijt uit haalt, of te overdrijven, met kans op blessures en oververmoeidheid. Daar maak ik soms nog fouten in, maar ik ben ook pas 23. Toch vind ik dat ik mijn lichaam nu al goed ken: ik weet perfect hoe ik gewicht moet verliezen richting een kamp en hoeveel uren ik moet slapen - élke dag van 22 uur tot 7 uur, plus een middagdutje - om genoeg uitgerust te zijn.' Lampaert: 'Ik moet ook negen uur slapen voor ik een beetje 'mens' ben. ( lacht) Intussen weet ik op mijn 29e ook welke trainingen ik nodig heb. Vroeger was dat zo veel mogelijk kilometers malen, ingebakken in de wielercultuur. Nu wordt er veel meer gestructureerd getraind, op wattages. Beter kort en goed, dan lang en half. ' Lampaert: 'Ik heb in het voorjaar geen mentale dipjes gehad. In België kon je nog buiten fietsen, in heel goed weer, dat scheelt. Hoewel ik geen kortetermijndoelen had, heb ik nooit gedacht: wat ben ik in godsnaam aan het doen? Had ik, zoals de Spanjaarden of Italianen, alleen op de rollen mogen fietsen, dan was ik wél gek geworden. 'Het ironische is dat ik tijdens het uitgestelde seizoen wél op die vervloekte rollen moest trainen, nadat ik in Milaan-Turijn mijn sleutelbeen had gebroken. Toen stortte mijn wereld wel even in: geen Tour, misschien ook geen klassiekers. Nog diezelfde dag hoorde ik echter hoe Fabio Jakobsen zwaar was gevallen in de Ronde van Polen. En dacht ik meteen: waarom zit ik nu te janken? Het is maar een sleutelbeen. Ook toen ik Remco Evenepoel, na zijn val in Lombardije, bezocht in het ziekenhuis van Herentals - ik moest er op controle - besefte ik dat ik geluk had dat ik dit jaar wél nog zou kunnen koersen. 'Toch ging dat niet van een leien dakje, in slechts enkele weken tijd opnieuw opbouwen naar een topvorm. Toen ik in september weer begon, in de Ronde van Slovakije, moest ik door de muur gaan om bergop te kunnen vólgen. Toen heb ik even gepanikeerd: ik raak niet meer klaar voor de klassiekers. Gelukkig verbeterde de conditie daarna vlug. Weliswaar net niet top genoeg om in Gent-Wevelgem en de Ronde van Vlaanderen mee te doen voor de zege. Gelukkig won ik dan Brugge-De Panne en kon ik mijn seizoen met een positieve noot afsluiten. Wat ook de pijn van de afgelaste Parijs-Roubaix, mijn lievelingskoers, verzachtte.' Casse: 'Toen in maart de Spelen definitief werden uitgesteld, was dat een flinke mentale tik. Ik heb dat echter vlug omgezet in positieve gedachtes: dat ik in 2021, op mijn 24e, een jaartje sterker zal zijn, terwijl mijn grootste, oudere concurrenten wel al hun fysieke top hebben bereikt en weinig of geen progressie meer zullen boeken. Ik heb me ook opgetrokken aan mijn nummer 1-positie op de worldranking. De pagina met die ranglijst op de Judobase-website is zelfs mijn homepage. Telkens als ik mijn laptop aanzet, zie ik mijn kop, met het cijfer 1 ernaast. ( lacht) Motiverend, ja, te beseffen dat ik nu sta waar ik vele jaren van gedroomd heb. 'Trainen was in de lockdown nochtans niet vanzelfsprekend: wekenlang mocht dat alleen met mijn broer. Vervelend op den duur, maar gelukkig konden we in de zomer, en ook nu, met een bubbel van vijf judoën. Ook niet ideaal, met oog op het komende EK, maar ik blijf het grotere doel voor ogen houden: Tokio 2021. Dáár wil ik op mijn best zijn en goud behalen. En daar zal ik alles voor doen.'