Dit verhaal verscheen in Sport/Voetbalmagazine van 11 augustus 2010.

Verwacht van mij niet dat ik Jean-Pierre Monseré als een god voorstel", zegt Mark Van Hamme (48) bij het begin van het interview. "Na al die jaren is er een bijna mythische status rond hem gecreëerd en worden zijn minder goede kanten vaak vergeten. Ik heb geprobeerd hem te portretteren zoals hij écht was, verder dan de clichés." Van Hamme vertelt over zijn eigen jeugdjaren, hoe hij als veertienjarige spijbelde op school en de bus en de trein naar Roeselare nam om met de moeder van Monseré te praten. Hoe hij twintig jaar geleden ging spreken met de - intussen overleden - priester bij wie Monseré zich omkleedde net voor de fatale koers in Retie. Hoe hij een paar maal langsging bij de vrouw op de auto van wie Jempi geknald was. "Ik ben bijna mijn hele leven met dit boek bezig geweest", zegt Van Hamme. Want, vertelt hij, weinig renners zaten zo complex in elkaar als Monseré: "Alle 296 pagina's heb ik nodig gehad om Jean-Pierre te beschrijven." In dit interview heeft hij minder ruimte, maar hij doet toch een poging.

"Het relaas van het WK 1970 in Leicester is de perfecte weerspiegeling van de mens Jean-Pierre Monseré. Bijna al zijn karaktereigenschappen - intelligent, leep, zelfverzekerd, speels, spontaan, zelfbeschermend - komen erin voor. Niet onlogisch, want op grote momenten laten kampioenen vaak zien we ze écht zijn. Het verhaal begint al in het BK in Yvoir, waar Jean-Pierre Eddy Merckx tot zesmaal toe terughaalde. De zevende keer bleef hij zitten, omdat Eddy hem naar verluidt 50.000 frank had aangeboden. Merckx heeft dat altijd ontkend, maar Jean-Pierres dokter Jan Derluyn verzekerde me dat het zo verlopen is. Monseré besefte immers goed dat hij op het zware Ardennenparcours niet sterk genoeg was om Merckx te kloppen en 50.000 frank was in die tijd geen onaardig bedrag. Bovendien wist Jean-Pierre dat hij zo op een goed blaadje stond bij de beste renner ter wereld. Dat kon later van pas komen ...

'Ik heb voor mijn boek met meer dan dertig mensen gesproken en niemand kon mij één vijand van Monseré opnoemen.'

"Monseré focuste op het wereldkampioenschap en wist dat hij veel kans had op het vlakke parcours. Merckx bood hem in de weken ervoor een plaats in zijn ploeg aan, maar Jean-Pierre wilde het WK afwachten om een nieuw contract te tekenen. Zelfverzekerd, hé. Hij nam zelfs zijn beste kostuum mee naar Engeland. Voor op de receptie achteraf ... Ook tegen Paul Claeys, zijn manager bij Flandria, was hij de avond voor het WK vol zelfvertrouwen: ' Patron, ik zal er niet ver af zijn.' Maar in een interview met Fred De Bruyne trok Jean-Pierre een masker van zelfbescherming op: 'Ik weet niet of ik klaar ben. Het is mijn eerste WK. Ik ben geen favoriet... '

"Jean-Pierre koppelde leepheid aan humor. Dat bleek diezelfde avond: 'Als ik win, krijgen jullie een Rodenbach', grapte hij tijdens de ploegbespreking. Iedereen schoot in de lach, maar niemand wist dat Jean-Pierre weken ervoor al een contract met Roger De Vlaeminck en Georges Pintens had afgesloten. Als een van de drie wereldkampioen zou worden, zou die de twee anderen betalen voor hun 'diensten'.

"De dag erna vertrok de Belgische ploeg met de bus naar het parcours. Iedereen stond onder hoogspanning, maar Monseré gedroeg zich als een kind op schoolreis. Nochtans was hij heel gefocust, want van in de eerste ronde reed hij attent voorin. In de finale ontsnapte de grote favoriet Felice Gimondi met nog een paar renners. Merckx, die niet super was en de adem van de Italiaanse ploeg in zijn nek voelde, riep Jean-Pierre toe: 'Als je er niet naartoe springt, is de koers voorbij.'

Jean-Pierre Monseré na zijn wereldtitel in 1970, Belga Image
Jean-Pierre Monseré na zijn wereldtitel in 1970 © Belga Image

"Monseré jumpte naar de kopgroep, demarreerde verscheidene keren, maar raakte niet weg. Tot hij in de laatste ronde aanviel. De twee Fransen, Charly Rouxel en Alain Vasseur, met wie hij 'gepraat' had, deden de deur dicht. Gimondi zat ingesloten en Jean-Pierre was vertrokken. Verdiend, want zelfs Gimondi gaf toe dat zijn Belgische collega de sterkste was. Dat respect sloeg rap om in boosheid toen Monseré na de finish verklaarde dat hij een bod van Gimondi - een half miljoen frank - geweigerd had. Dat had geen enkele renner ooit gezegd, zeker niet na een WK. Maar dat was Jean-Pierre: een flapuit. Zich er niet van bewust dat hij zo heel Italië in rep en roer zette.

"Twee weken later tekende Monseré in Zaventem een contract bij Salvarani, de ploeg van ... Gimondi, waarmee hij al voor het WK onderhandeld had. Een impuls, want 's avonds vertelde hij tegen Flandriabaas Paul Claeys dat hij al spijt had van zijn beslissing en dat hij in die ploeg niets kon doen. Ook zijn vrouw Annie stond er niet voor te springen. Claeys en Monseré zijn dan samen naar Italië gevlogen, waar Jean-Pierre signoreSalvarani inpakte met zijn charme. De verbintenis werd ontbonden, op één voorwaarde: dat Jean-Pierre een perscommuniqué zou ondertekenen waarin hij zijn beschuldigingen aan het adres van Gimondi introk ... Salvarani was ondanks die contractbreuk zo gecharmeerd door Monseré dat hij hem een gratis keuken beloofde. En hij hield woord: nadat Jean-Pierre verongelukt was, kreeg zijn weduwe op een dag een telefoontje met de vraag wanneer de nieuwe keuken geïnstalleerd kon worden ...

'Monseré was als een oester: als je te dichtbij kwam, klapte hij dicht.'

"Aan dat voorval merk je dat Jean-Pierre het moeilijk had met zijn nieuwe status. De volksjongen was in een klap een wereldvedette geworden en kwam in situaties terecht die hij niet gewoon was. Zo tekende hij na het WK een contract om een aantal criteriums in Frankrijk te rijden, maar daar kwam hij - tot grote woede van de Franse manager Roger Piel - nooit opdagen. Vergeten ... Paul Claeys heeft zich daarna beziggehouden met die contracten, want de zorgeloze Monseré moest tegen zijn nonchalance beschermd worden.

"Ik ben ervan overtuigd dat hij op zijn pootjes terechtgekomen zou zijn, want Jempi verstond de kunst om zich te omringen met bekwame mensen die het goed met hem meenden en naar wie hij ook luisterde: dokter Jan Derluyn, kinesist Jacques Delva (zie kader, nvdr), Miel Boutelissier, zijn mentor in zijn jeugdjaren. Onbewust nam hij telkens de juiste beslissing en verruimde hij op het juiste moment zijn wereld: van 'Krottegem', de verpauperde buurt waar hij opgroeide, naar het rijke Roeselare, waar mensen als Boutelissier zijn carrière een boost konden geven. Van Roeselare naar de Koninklijke Brugsche Velosport, waar voorzitter Joseph Maertens, lid van het bestuur van de Belgische wielerbond, hem binnenloodste in de nationale selecties. Van de Brugsche Velosport naar profploeg Flandria van Paul Claeys ... Iedere keer de juiste stap."

Mateloos populair

"Jean-Pierre was overtuigd van zijn kwaliteiten. Faalangst of twijfels kende hij niet. Hij leefde vooral op het gevoel en had een naturel over zich, waardoor hij zich veel kon permitteren. Op een sportavond goot hij eens een pint bier over het hoofd van de moderator, maar niemand die daar aanstoot aan nam. Stel je voor dat Tom Boonen nu zoiets doet. Een schande! Maar toen was dat normaal. ' 't Is Monseré, hé.' De maatschappij zat anders in elkaar. De mensen waren meer onderdanig, keken meer op naar agenten, leraars, priesters en sportvedetten. Die mochten altijd iets meer. En zeker Jean-Pierre, die zo sociaal, zo volks was dat hij mateloos populair werd. Hij kon met iedereen omgaan, van jong tot oud. 's Namiddags ging hij zelfs bowlen of kaarten met de gepensioneerden en in de winter na zijn wereldtitel had hij op een weekend wel tien afspraken: opening van een winkel, aftrap van een voetbalmatch ... Toen de journalisten hem daarmee confronteerden, antwoordde hij: 'Ik doe dat graag, wat is dan het probleem?' Plus: Monseré kwam uit een simpel arbeidersgezin. En Vlamingen identificeren zich graag met een eenvoudige jongen die zijn dromen waarmaakt.

Jean-Pierre Monseré (r) met Eddy Merck, Ferdinand Bracke en Roger De Vlaeminck, Belga Image
Jean-Pierre Monseré (r) met Eddy Merck, Ferdinand Bracke en Roger De Vlaeminck © Belga Image

"In een goed jaar werd Jean-Pierre even populair als Eddy Merckx, die al vijf jaar aan de top stond. De factor Merckx speelde daarin een belangrijke rol. Eddy was de allesoverheersende coureur en zeker de journalisten werden dat een beetje beu. Wat moesten ze op den duur nog schrijven, hé? Bovendien was Merckx niet spontaan, stuurs zelfs. Plots dook dan Monseré op: hart op de tong, open, grappig, ... Een geschenk uit de hemel. Voor het publiek, journalisten, collega-renners ... Ik heb voor mijn boek met meer dan dertig mensen gesproken en niemand kon mij één vijand opnoemen.

"Bij een arbeider of bij de koning, Jean-Pierre was altijd zichzelf. Na zijn wereldtitel werd hij uitgenodigd op het paleis. Koning Boudewijn liet wat op zich wachten, dus zette Jean-Pierre zich op de grond, tegen de muur ... Hij deed dat niet om iemand te schofferen, hij wás gewoon zo. Een priester vroeg hem ooit of hij het niet moeilijk vond om iedere dag hard te trainen. 'Neen, meneer pastoor, maar voor u is het toch ook niet gemakkelijk om zonder vrouw te leven.' (lacht) Niemand zou het in die tijd aangedurfd hebben om zo tegen een priester te spreken, maar hij kon dat op zijn manier wel. Opmerkelijk is wel zijn transformatie als hij in een vreemde omgeving terechtkwam. Zolang een vertrouwde persoon hem vergezelde, was hij het haantje-de-voorste, maar zodra hij alleen viel, was hij meer teruggetrokken."

Drie whisky's

"Jean-Pierre was van klein af een speelvogel, maar zette dat tijdens zijn carrière extra in de verf. Op café vroeg hij altijd luidop een Rodenbach, maar in het geniep goot hij het glas leeg in een bloembak ... En toen hij eens te laat was voor een interview, vertelde hij aan de journalisten dat hij op café drie whisky's gedronken had ...

"Hij wilde er niet voor uitkomen dat hij heel serieus met zijn vak bezig was. Hij en Roger De Vlaeminck maakten er zelfs een wedstrijd van: om het meest verhalen verzinnen waardoor de mensen zouden geloven dat ze alleen op talent wonnen. Net als De Vlaeminck ging Jean-Pierre iedere morgen heel vroeg trainen en sloot hij pas om negen uur aan bij de streekrenners. Na een uur keerde hij al naar huis en had iedereen de indruk dat hij niet trainde. Terwijl dat het enige in zijn leven was waar hij zich ernstig mee bezighield. De vraag is of hij die houding had kunnen blijven aanhouden, want in een mindere periode had zich dat tegen hem gekeerd. Jan Derluyn, zijn dokter, heeft Jean-Pierre daar verscheidene keren voor gewaarschuwd. Ik denk wel dat hij intelligent genoeg was om dat gedrag na een tijdje te veranderen.

'Roger De Vlaeminck gaf toe dat hij jaloers was op Monseré.'

"Uit zelfbescherming liet Monseré nooit in zijn kaarten kijken. Hij wilde vermijden dat er een uitspraak tegen hem gebruikt kon worden. Kritiek raakte hem wel, al heeft hij dat nooit toegegeven. Hij praatte niet graag over zichzelf, en ging het tóch over hem, dan omzeilde hij zelfs simpele vragen met een kwinkslag. In 1969 vroeg een journalist hem naar zijn ambitie voor het volgende jaar. 'Ik zou graag ne kleinen maken', grapte hij. Hij deed dat niet eens bewust, dat was zijn karakter. Mensen op afstand houden met humor. Ik vergelijk hem altijd met een oester. Als je te dichtbij kwam, klapte hij dicht. Er waren maar weinig mensen die hem echt kenden: zijn dichte familieleden, zijn buurman/slager Norbert Vandekerckhove, Claeys, Delva, Derluyn ...

"Hoewel hij vaak een façade optrok, was Jean-Pierre een bescheiden en gevoelige persoon, die nooit uitpakte met zijn prestaties en enorm meeleefde met iemand die het niet goed had. Als kleine jongen deelde hij op café zijn stuk chocolade met een kind dat vijf centimeter kleiner was dan hij. En als hij met zijn kameraden op straat speelde, nam hij het altijd op voor de kleinste. Dat bleek ook later in zijn carrière. Toen Eddy Merckx zei dat de kermiskoersen moesten worden afgeschaft, ging Jean-Pierre daar- tegenin, omdat dat de broodwinning van veel kleine coureurs was. Niet voor niets werd hij 'de Robin Hood van het peloton' genoemd. Als hij kon, gaf hij zelfs zijn prijzen weg. Alleen geld hield hij voor zich, want dat was een drijfveer. Niet onlogisch als je al op je 19e trouwt en een kind krijgt. Er moest brood op de plank komen, hé. Hij heeft het geld nooit door ramen en deuren gegooid."

Meer man dan Merckx

"Ondanks zijn gevoelig karakter toonde hij weinig emoties. De enige keer dat ik hem heb zien wenen, was op de begrafenis van zijn vader, zes weken na zijn wereldtitel. Voor de rest heeft hij nooit een traan gelaten. Hij was daar zelfs trots op: 'Ik ben meer man dan Merckx, die huilde als een kind toen hij in de Giro betrapt werd op doping. Op het WK-podium in Leicester heb ik niet geweend, hoor.' Waarom zou hij ook? Jean-Pierre vond dat doodnormaal, wereldkampioen worden op zijn 21e. Zoals hij álles normaal vond. Parkeren op het voetpad, omdat er nergens plaats was? Geen probleem ... Regels waren goed zolang ze hem niet beletten zijn goesting te doen. Dat was geen arrogantie, hij leefde gewoon zo.

Jean-Pierre Monseré (r) in duel met Patrick Sercu, Belga Image
Jean-Pierre Monseré (r) in duel met Patrick Sercu © Belga Image

"Zijn grootste minpunt was zijn opvliegendheid, een karaktertrek die hij van zijn vader geërfd had. Als er iets niet liep zoals hij het wou, kwam hij soms raar uit de hoek. Hij kon een vaas kapot gooien en twee minuten later weer ijzig kalm zijn. Mensen die hem kenden, tolereerden dat, maar anderen schrokken daar soms van. Een man van tegenstellingen, hé. Verbaal soms keihard, maar tegelijk poeslief. Hij heeft Oscar Daemers, de toenmalige bondscoach die een beetje mankte, ooit zwaar beledigd: 'Gij daar met uw één been.' Maar toen Oscar een paar maanden later een hartaanval kreeg, liet Jean-Pierre wel een tv, die hij op een koers gewonnen had, naar zijn kamer in het ziekenhuis brengen ...

"Voor Monseré scheen de zon iedere dag. Hij dacht niet aan gisteren of aan morgen, of aan wat er misschien kon gebeuren. Hij leefde als een wervelwind, met 200 kilometer per uur. En als er problemen waren, dan zou dat wel vanzelf in orde komen. Zoals die criteriumcontracten in Frankrijk ... Die zorgeloze houding is zijn vrouw na zijn dood zuur opgebroken, want een levensverzekering had hij niet ... Eigenlijk was hij nog een kind. Volwassen kon je Monseré niet noemen. De dood van zijn vader was de enige keer in zijn leven dat hij met verdriet geconfronteerd werd. Veel ongelukkige dagen, of zelfs uren, heeft hij niet gekend. Soms wordt hij vergeleken met Frank Vandenbroucke, maar hij verschilt dag en nacht met VDB, van wie de levensloop gekenmerkt werd door hoge pieken en diepe dalen. Jean-Pierres leven was een lang gloriemoment. Hij leek geboren voor het geluk, tot die laatste fatale vijf seconden op de Turnhoutsebaan ..."

Verwacht van mij niet dat ik Jean-Pierre Monseré als een god voorstel", zegt Mark Van Hamme (48) bij het begin van het interview. "Na al die jaren is er een bijna mythische status rond hem gecreëerd en worden zijn minder goede kanten vaak vergeten. Ik heb geprobeerd hem te portretteren zoals hij écht was, verder dan de clichés." Van Hamme vertelt over zijn eigen jeugdjaren, hoe hij als veertienjarige spijbelde op school en de bus en de trein naar Roeselare nam om met de moeder van Monseré te praten. Hoe hij twintig jaar geleden ging spreken met de - intussen overleden - priester bij wie Monseré zich omkleedde net voor de fatale koers in Retie. Hoe hij een paar maal langsging bij de vrouw op de auto van wie Jempi geknald was. "Ik ben bijna mijn hele leven met dit boek bezig geweest", zegt Van Hamme. Want, vertelt hij, weinig renners zaten zo complex in elkaar als Monseré: "Alle 296 pagina's heb ik nodig gehad om Jean-Pierre te beschrijven." In dit interview heeft hij minder ruimte, maar hij doet toch een poging. "Het relaas van het WK 1970 in Leicester is de perfecte weerspiegeling van de mens Jean-Pierre Monseré. Bijna al zijn karaktereigenschappen - intelligent, leep, zelfverzekerd, speels, spontaan, zelfbeschermend - komen erin voor. Niet onlogisch, want op grote momenten laten kampioenen vaak zien we ze écht zijn. Het verhaal begint al in het BK in Yvoir, waar Jean-Pierre Eddy Merckx tot zesmaal toe terughaalde. De zevende keer bleef hij zitten, omdat Eddy hem naar verluidt 50.000 frank had aangeboden. Merckx heeft dat altijd ontkend, maar Jean-Pierres dokter Jan Derluyn verzekerde me dat het zo verlopen is. Monseré besefte immers goed dat hij op het zware Ardennenparcours niet sterk genoeg was om Merckx te kloppen en 50.000 frank was in die tijd geen onaardig bedrag. Bovendien wist Jean-Pierre dat hij zo op een goed blaadje stond bij de beste renner ter wereld. Dat kon later van pas komen ... "Monseré focuste op het wereldkampioenschap en wist dat hij veel kans had op het vlakke parcours. Merckx bood hem in de weken ervoor een plaats in zijn ploeg aan, maar Jean-Pierre wilde het WK afwachten om een nieuw contract te tekenen. Zelfverzekerd, hé. Hij nam zelfs zijn beste kostuum mee naar Engeland. Voor op de receptie achteraf ... Ook tegen Paul Claeys, zijn manager bij Flandria, was hij de avond voor het WK vol zelfvertrouwen: ' Patron, ik zal er niet ver af zijn.' Maar in een interview met Fred De Bruyne trok Jean-Pierre een masker van zelfbescherming op: 'Ik weet niet of ik klaar ben. Het is mijn eerste WK. Ik ben geen favoriet... ' "Jean-Pierre koppelde leepheid aan humor. Dat bleek diezelfde avond: 'Als ik win, krijgen jullie een Rodenbach', grapte hij tijdens de ploegbespreking. Iedereen schoot in de lach, maar niemand wist dat Jean-Pierre weken ervoor al een contract met Roger De Vlaeminck en Georges Pintens had afgesloten. Als een van de drie wereldkampioen zou worden, zou die de twee anderen betalen voor hun 'diensten'. "De dag erna vertrok de Belgische ploeg met de bus naar het parcours. Iedereen stond onder hoogspanning, maar Monseré gedroeg zich als een kind op schoolreis. Nochtans was hij heel gefocust, want van in de eerste ronde reed hij attent voorin. In de finale ontsnapte de grote favoriet Felice Gimondi met nog een paar renners. Merckx, die niet super was en de adem van de Italiaanse ploeg in zijn nek voelde, riep Jean-Pierre toe: 'Als je er niet naartoe springt, is de koers voorbij.' "Monseré jumpte naar de kopgroep, demarreerde verscheidene keren, maar raakte niet weg. Tot hij in de laatste ronde aanviel. De twee Fransen, Charly Rouxel en Alain Vasseur, met wie hij 'gepraat' had, deden de deur dicht. Gimondi zat ingesloten en Jean-Pierre was vertrokken. Verdiend, want zelfs Gimondi gaf toe dat zijn Belgische collega de sterkste was. Dat respect sloeg rap om in boosheid toen Monseré na de finish verklaarde dat hij een bod van Gimondi - een half miljoen frank - geweigerd had. Dat had geen enkele renner ooit gezegd, zeker niet na een WK. Maar dat was Jean-Pierre: een flapuit. Zich er niet van bewust dat hij zo heel Italië in rep en roer zette. "Twee weken later tekende Monseré in Zaventem een contract bij Salvarani, de ploeg van ... Gimondi, waarmee hij al voor het WK onderhandeld had. Een impuls, want 's avonds vertelde hij tegen Flandriabaas Paul Claeys dat hij al spijt had van zijn beslissing en dat hij in die ploeg niets kon doen. Ook zijn vrouw Annie stond er niet voor te springen. Claeys en Monseré zijn dan samen naar Italië gevlogen, waar Jean-Pierre signoreSalvarani inpakte met zijn charme. De verbintenis werd ontbonden, op één voorwaarde: dat Jean-Pierre een perscommuniqué zou ondertekenen waarin hij zijn beschuldigingen aan het adres van Gimondi introk ... Salvarani was ondanks die contractbreuk zo gecharmeerd door Monseré dat hij hem een gratis keuken beloofde. En hij hield woord: nadat Jean-Pierre verongelukt was, kreeg zijn weduwe op een dag een telefoontje met de vraag wanneer de nieuwe keuken geïnstalleerd kon worden ... "Aan dat voorval merk je dat Jean-Pierre het moeilijk had met zijn nieuwe status. De volksjongen was in een klap een wereldvedette geworden en kwam in situaties terecht die hij niet gewoon was. Zo tekende hij na het WK een contract om een aantal criteriums in Frankrijk te rijden, maar daar kwam hij - tot grote woede van de Franse manager Roger Piel - nooit opdagen. Vergeten ... Paul Claeys heeft zich daarna beziggehouden met die contracten, want de zorgeloze Monseré moest tegen zijn nonchalance beschermd worden. "Ik ben ervan overtuigd dat hij op zijn pootjes terechtgekomen zou zijn, want Jempi verstond de kunst om zich te omringen met bekwame mensen die het goed met hem meenden en naar wie hij ook luisterde: dokter Jan Derluyn, kinesist Jacques Delva (zie kader, nvdr), Miel Boutelissier, zijn mentor in zijn jeugdjaren. Onbewust nam hij telkens de juiste beslissing en verruimde hij op het juiste moment zijn wereld: van 'Krottegem', de verpauperde buurt waar hij opgroeide, naar het rijke Roeselare, waar mensen als Boutelissier zijn carrière een boost konden geven. Van Roeselare naar de Koninklijke Brugsche Velosport, waar voorzitter Joseph Maertens, lid van het bestuur van de Belgische wielerbond, hem binnenloodste in de nationale selecties. Van de Brugsche Velosport naar profploeg Flandria van Paul Claeys ... Iedere keer de juiste stap." "Jean-Pierre was overtuigd van zijn kwaliteiten. Faalangst of twijfels kende hij niet. Hij leefde vooral op het gevoel en had een naturel over zich, waardoor hij zich veel kon permitteren. Op een sportavond goot hij eens een pint bier over het hoofd van de moderator, maar niemand die daar aanstoot aan nam. Stel je voor dat Tom Boonen nu zoiets doet. Een schande! Maar toen was dat normaal. ' 't Is Monseré, hé.' De maatschappij zat anders in elkaar. De mensen waren meer onderdanig, keken meer op naar agenten, leraars, priesters en sportvedetten. Die mochten altijd iets meer. En zeker Jean-Pierre, die zo sociaal, zo volks was dat hij mateloos populair werd. Hij kon met iedereen omgaan, van jong tot oud. 's Namiddags ging hij zelfs bowlen of kaarten met de gepensioneerden en in de winter na zijn wereldtitel had hij op een weekend wel tien afspraken: opening van een winkel, aftrap van een voetbalmatch ... Toen de journalisten hem daarmee confronteerden, antwoordde hij: 'Ik doe dat graag, wat is dan het probleem?' Plus: Monseré kwam uit een simpel arbeidersgezin. En Vlamingen identificeren zich graag met een eenvoudige jongen die zijn dromen waarmaakt. "In een goed jaar werd Jean-Pierre even populair als Eddy Merckx, die al vijf jaar aan de top stond. De factor Merckx speelde daarin een belangrijke rol. Eddy was de allesoverheersende coureur en zeker de journalisten werden dat een beetje beu. Wat moesten ze op den duur nog schrijven, hé? Bovendien was Merckx niet spontaan, stuurs zelfs. Plots dook dan Monseré op: hart op de tong, open, grappig, ... Een geschenk uit de hemel. Voor het publiek, journalisten, collega-renners ... Ik heb voor mijn boek met meer dan dertig mensen gesproken en niemand kon mij één vijand opnoemen. "Bij een arbeider of bij de koning, Jean-Pierre was altijd zichzelf. Na zijn wereldtitel werd hij uitgenodigd op het paleis. Koning Boudewijn liet wat op zich wachten, dus zette Jean-Pierre zich op de grond, tegen de muur ... Hij deed dat niet om iemand te schofferen, hij wás gewoon zo. Een priester vroeg hem ooit of hij het niet moeilijk vond om iedere dag hard te trainen. 'Neen, meneer pastoor, maar voor u is het toch ook niet gemakkelijk om zonder vrouw te leven.' (lacht) Niemand zou het in die tijd aangedurfd hebben om zo tegen een priester te spreken, maar hij kon dat op zijn manier wel. Opmerkelijk is wel zijn transformatie als hij in een vreemde omgeving terechtkwam. Zolang een vertrouwde persoon hem vergezelde, was hij het haantje-de-voorste, maar zodra hij alleen viel, was hij meer teruggetrokken." "Jean-Pierre was van klein af een speelvogel, maar zette dat tijdens zijn carrière extra in de verf. Op café vroeg hij altijd luidop een Rodenbach, maar in het geniep goot hij het glas leeg in een bloembak ... En toen hij eens te laat was voor een interview, vertelde hij aan de journalisten dat hij op café drie whisky's gedronken had ... "Hij wilde er niet voor uitkomen dat hij heel serieus met zijn vak bezig was. Hij en Roger De Vlaeminck maakten er zelfs een wedstrijd van: om het meest verhalen verzinnen waardoor de mensen zouden geloven dat ze alleen op talent wonnen. Net als De Vlaeminck ging Jean-Pierre iedere morgen heel vroeg trainen en sloot hij pas om negen uur aan bij de streekrenners. Na een uur keerde hij al naar huis en had iedereen de indruk dat hij niet trainde. Terwijl dat het enige in zijn leven was waar hij zich ernstig mee bezighield. De vraag is of hij die houding had kunnen blijven aanhouden, want in een mindere periode had zich dat tegen hem gekeerd. Jan Derluyn, zijn dokter, heeft Jean-Pierre daar verscheidene keren voor gewaarschuwd. Ik denk wel dat hij intelligent genoeg was om dat gedrag na een tijdje te veranderen. "Uit zelfbescherming liet Monseré nooit in zijn kaarten kijken. Hij wilde vermijden dat er een uitspraak tegen hem gebruikt kon worden. Kritiek raakte hem wel, al heeft hij dat nooit toegegeven. Hij praatte niet graag over zichzelf, en ging het tóch over hem, dan omzeilde hij zelfs simpele vragen met een kwinkslag. In 1969 vroeg een journalist hem naar zijn ambitie voor het volgende jaar. 'Ik zou graag ne kleinen maken', grapte hij. Hij deed dat niet eens bewust, dat was zijn karakter. Mensen op afstand houden met humor. Ik vergelijk hem altijd met een oester. Als je te dichtbij kwam, klapte hij dicht. Er waren maar weinig mensen die hem echt kenden: zijn dichte familieleden, zijn buurman/slager Norbert Vandekerckhove, Claeys, Delva, Derluyn ... "Hoewel hij vaak een façade optrok, was Jean-Pierre een bescheiden en gevoelige persoon, die nooit uitpakte met zijn prestaties en enorm meeleefde met iemand die het niet goed had. Als kleine jongen deelde hij op café zijn stuk chocolade met een kind dat vijf centimeter kleiner was dan hij. En als hij met zijn kameraden op straat speelde, nam hij het altijd op voor de kleinste. Dat bleek ook later in zijn carrière. Toen Eddy Merckx zei dat de kermiskoersen moesten worden afgeschaft, ging Jean-Pierre daar- tegenin, omdat dat de broodwinning van veel kleine coureurs was. Niet voor niets werd hij 'de Robin Hood van het peloton' genoemd. Als hij kon, gaf hij zelfs zijn prijzen weg. Alleen geld hield hij voor zich, want dat was een drijfveer. Niet onlogisch als je al op je 19e trouwt en een kind krijgt. Er moest brood op de plank komen, hé. Hij heeft het geld nooit door ramen en deuren gegooid." "Ondanks zijn gevoelig karakter toonde hij weinig emoties. De enige keer dat ik hem heb zien wenen, was op de begrafenis van zijn vader, zes weken na zijn wereldtitel. Voor de rest heeft hij nooit een traan gelaten. Hij was daar zelfs trots op: 'Ik ben meer man dan Merckx, die huilde als een kind toen hij in de Giro betrapt werd op doping. Op het WK-podium in Leicester heb ik niet geweend, hoor.' Waarom zou hij ook? Jean-Pierre vond dat doodnormaal, wereldkampioen worden op zijn 21e. Zoals hij álles normaal vond. Parkeren op het voetpad, omdat er nergens plaats was? Geen probleem ... Regels waren goed zolang ze hem niet beletten zijn goesting te doen. Dat was geen arrogantie, hij leefde gewoon zo. "Zijn grootste minpunt was zijn opvliegendheid, een karaktertrek die hij van zijn vader geërfd had. Als er iets niet liep zoals hij het wou, kwam hij soms raar uit de hoek. Hij kon een vaas kapot gooien en twee minuten later weer ijzig kalm zijn. Mensen die hem kenden, tolereerden dat, maar anderen schrokken daar soms van. Een man van tegenstellingen, hé. Verbaal soms keihard, maar tegelijk poeslief. Hij heeft Oscar Daemers, de toenmalige bondscoach die een beetje mankte, ooit zwaar beledigd: 'Gij daar met uw één been.' Maar toen Oscar een paar maanden later een hartaanval kreeg, liet Jean-Pierre wel een tv, die hij op een koers gewonnen had, naar zijn kamer in het ziekenhuis brengen ... "Voor Monseré scheen de zon iedere dag. Hij dacht niet aan gisteren of aan morgen, of aan wat er misschien kon gebeuren. Hij leefde als een wervelwind, met 200 kilometer per uur. En als er problemen waren, dan zou dat wel vanzelf in orde komen. Zoals die criteriumcontracten in Frankrijk ... Die zorgeloze houding is zijn vrouw na zijn dood zuur opgebroken, want een levensverzekering had hij niet ... Eigenlijk was hij nog een kind. Volwassen kon je Monseré niet noemen. De dood van zijn vader was de enige keer in zijn leven dat hij met verdriet geconfronteerd werd. Veel ongelukkige dagen, of zelfs uren, heeft hij niet gekend. Soms wordt hij vergeleken met Frank Vandenbroucke, maar hij verschilt dag en nacht met VDB, van wie de levensloop gekenmerkt werd door hoge pieken en diepe dalen. Jean-Pierres leven was een lang gloriemoment. Hij leek geboren voor het geluk, tot die laatste fatale vijf seconden op de Turnhoutsebaan ..."