Dit verhaal begint in augustus vorig jaar, nadat Wout van Aert in Milaan-Sanremo Julian Alaphilippe heeft verslagen in een sprint op de Via Roma. Het viel ons op hoe Van Aert kaarsrecht sprint, zijn bovenlijf compact houdend, ellebogen slechts licht zijdelings gespreid. Een totaal ander beeld bij Alaphilippe, die zijn lichaam wild van links naar rechts zwiept, de ellebogen ver uit elkaar. Een beeld dat een maand later ook terugkeert in de Tour de France, waar de Belg tweemaal als een onbeweeglijke pletwals de sprinters achter zich fijnmaalt. Een kunstje dat hij ook dit seizoen al acht keer heeft herhaald, onder meer in de voorbije Tour of Britain ( zie kader).
...

Dit verhaal begint in augustus vorig jaar, nadat Wout van Aert in Milaan-Sanremo Julian Alaphilippe heeft verslagen in een sprint op de Via Roma. Het viel ons op hoe Van Aert kaarsrecht sprint, zijn bovenlijf compact houdend, ellebogen slechts licht zijdelings gespreid. Een totaal ander beeld bij Alaphilippe, die zijn lichaam wild van links naar rechts zwiept, de ellebogen ver uit elkaar. Een beeld dat een maand later ook terugkeert in de Tour de France, waar de Belg tweemaal als een onbeweeglijke pletwals de sprinters achter zich fijnmaalt. Een kunstje dat hij ook dit seizoen al acht keer heeft herhaald, onder meer in de voorbije Tour of Britain ( zie kader). Hoe slaagt Van Aert daarin? Onder meer dankzij zijn verleden als veldrijder. Crossers kunnen immers na een bocht snel optrekken, balancerend over de modder, het gras, of het zand, en spelend met hun lichaamszwaartepunt. Ze zetten daarbij de juiste hoeveelheid kracht op hun pedalen, zonder dat hun achterwiel begint te slippen. Zoals een motorcrosser ook niet alle pk's van zijn motor moet aanwenden om door de modder of het zand te klieven. Het gaat om de juiste krachtoverzetting, met de juiste cadans en de juiste versnelling. Een kunst die van Aert perfect beheerst. Mede door zijn stevige rompspieren (die hij het hele jaar onderhoudt met corestabilityoefeningen) kan hij zo heel stabiel versnellen. En ook bij maximale inspanningen en sprints op de weg met zijn stevig gespierde heupbuigers de juiste power op zijn pedalen plaatsen. Zonder krachtverlies én van bij de eerste meter, waardoor hij meteen een gat kan slaan en zonder stil te vallen zijn snelheid hoog en constant houdt tot de finish. Zou die sprinthouding Van Aert echter ook een aerodynamisch voordeel opleveren? Een vraag die we vorig jaar tijdens de Tour stelden aan professor Bert Blocken van de Technische Universiteit Eindhoven en de KU Leuven, bij wie de renners van Jumbo-Visma hun windtunneltesten laten uitvoeren. Zijn eerste indruk tóén, op basis van de beelden: 'Wout sprint zoals een tijdrijder: hij maakt zich, qua horizontaal frontaal vlak, met zijn armen en schouders compact. Maar wel in een positie waarin hij maximale kracht kan ontwikkelen. Door die stabiliteit houdt hij de horizontale slipstream achter hem smal en ondervindt hij minder luchtweerstand. Het verschil tussen de overdruk vooraan en de zuigende onderdruk achter hem is immers beperkt. Het voordeel ook van de sprintpositie van Caleb Ewan, die een heel lage vérticale slipstream heeft. Ewan kan zo over zijn stuur leunen wegens zijn beperkte lengte (1m65). Voor Wout is dat veel moeilijker met zijn 1m87, maar hij creëert met zijn compacte sprinthouding wel een voordeel ten opzichte van renners die van links naar rechts slingeren, zoals Alaphilippe. Die verbreden zo het zog achter hen en maken hun slipstream breder, waardoor ze automatisch meer zuigkracht creëren en de luchtweerstand vergroten.' Onze vraag en zijn uitleg maakte de wetenschapper in Bert Blocken nieuwsgierig: wat zou het exácte voordeel van de typische sprinthouding van Wout van Aert zijn? Groot of klein? En dus startte hij met zijn team van de Technische Universiteit Eindhoven afgelopen zomer een wetenschappelijk onderzoek. In de windtunnel in Eindhoven kregen we daarop een exclusieve blik op de laatste metingen en de resultaten.Het grootste obstakel van het onderzoek: een meetopstelling voor de windtunnel bouwen die de zijwaartse beweging van de renner, qua frequentie (het aantal keer lateraal bewegen per seconde) en amplitude (maximale afstand van die bewegingen), gecontroleerd kan simuleren. 'Geen eenvoudige opdracht', vertelt Gert-Jan Maas. Het kostte hem en zijn medewerkers van het Equipment and Prototype Center van de TU Eindhoven liefst 120 werkuren. 'De hele technische uitleg zal ik u besparen, maar het gaat kort gezegd om een opstelling op een aluminium blok, met een stalen dekplaat, met twee bladveren, aangedreven door een motor en een vliegwiel, plus een stabiele balans met een sensor die de horizontale kracht zeer precies meet. Daarop gemonteerd: een gele pop van een renner, op een schaal van één op vier, gemaakt met een 3D-printer. Niet op lichaamsgrootte, om de kostprijs wat te drukken, al spreken we nog altijd over zo'n 2500 euro. Voor alleen deze pop, hé. ' Die meetopstelling was anderhalve maand geleden klaar, waarop de volgende stap van het onderzoek begon: de zogenaamde CFD (Computational fluid dynamics)-simulaties, gebaseerd op de sprint tussen Wout van Aert en Julian Alaphilippe in Milaan-Sanremo van 2020. 'Heel ingewikkelde berekeningen via verschillende kleine supercomputers, want wiskundig zeer moeilijk om te modelleren', vertelt Bert Blocken. 'Sommige duurden zelfs vijf weken. Die luchtstromingsvergelijkingen, qua druk en qua snelheid, werden immers opgelost via liefst 35 miljoen rekenpunten die rond de renner werden geplaatst. Bovendien werkten we met tijdstapjes van één duizendste van een seconde. Al je dan een sprint van vijftien seconden wil berekenen, met verschillende frequenties en amplitudes, dan ben je een tijdje bezig.' Naast die computersimulaties werd ook in de windtunnel zelf getest. Metingen waarvan we tijdens ons bezoek de laatste zien, inclusief laserstralen en een rookmachine om de luchtstromen mooi te illustreren. 'Deze metingen hebben een kleine twee dagen geduurd. Een andere methode dan via de computer, maar om zeker te zijn van het resultaat is dat absoluut nodig. Dit is wetenschappelijk onderzoek, geen nattevingerwerk', aldus Blocken. Het uiteindelijke resultaat? 'Het verschil in luchtweerstand tussen de stabiel sprintende Wout Van Aert, die maximaal vijf centimeter links en rechts uitwijkt, en de van links naar rechts swingende Alaphilippe, met een amplitude van twintig centimeter, is ongeveer één procent. Op 100 meter wint Wout daarmee vier centimeter, op 200 meter acht centimeter. Minder dan ik verwacht had, en dat komt vooral omdat we gemeten hebben bij een snelheid van 20 meter per seconde ( 72 kilometer per uur, nvdr). Dan blijkt dat het effect van de zijwaartse bewegingen, met een frequentie van twee hertz ( twee keer een cyclus van links naar rechts per seconde, nvdr), op de slipstream beperkt blijft. Die krijgt immers onvoldoende tijd om breed uit te waaien. Mocht je de snelheid verlagen tot 30 kilometer per uur, dan zou het wel een groter effect sorteren. 'Niettemin mag je het verschil niet onderschatten: acht centimeter op 200 meter is in veel sprinten vaak doorslaggevend. Zie de fotofinishsprint van Wout tegen Tom Pidcock in de Amstel Gold Race, waar de jury een half uur nodig had om Wout als winnaar aan te duiden. Het amplitudeverschil qua zijwaartse bewegingen was er minder dan in de sprint tegen Alaphilippe, maar was allicht wel bepalend voor winst en verlies.' Als Van Aert zondag in Leuven Pidcock, Alaphilippe, of de eveneens allerminst stabiel sprintende Sonny Colbrelli in de sprint dus klopt met een centimeter, dan weet u wat (onder meer) het verschil heeft gemaakt.