Nondedju Sercu! Dat was het eerste dat mij te binnen schoot - een variant op 'Salu zei Sercu' van songsmid Willem Vermandere - toen ik vernam dat Patrick Sercu voor het eerst in meer dan 50 jaar niet aanwezig zou zijn in het Kuipke, de wielerpiste in Gent, op de Zesdaagse in november van vorig jaar.

Sercu won er in 1965 als broekventje aan de zijde met Eddy Merckx zijn eerste zesdaagse, en na zijn actieve carrière was hij jarenlang bezieler van jeugdwedstrijden en koersdirecteur van diezelfde Gentse Zesdaagse. Maar afgelopen november kon hij niet meer, zijn ziekte liet dat niet toe, al wou hij daarover niet communiceren en sloot hij zich af van de pers en het publiek.

Omgekeerd dan maar dit publiek salu(t) voor Sercu, de Izegemse wielrenner die zijn carrière begon met olympisch goud (Tokyo 1964, op de 'kilometer met vliegende start'), en die met nadien 88 overwinningen in zesdaagsen op zijn naam - het liefst samen met Eddy Merckx - geldt als de meest succesvolle pistier aller tijden.

Daarnaast was Patrick Sercu ook nog eens goed voor zes ritoverwinningen en een groene trui in de Tour en dertien ritzeges in de Ronde van Italië. Petje af, zeggen we dan.

Maar terug naar het publiek, zijn publiek, waar ik als nauwelijks tienjarige deel van uitmaakte, meegetroond door mijn vader wiens hart toch vooral voor het wielrennen klopte, toen het nog klopte. Ergens in de jaren '70, en niet in Gent, maar op de wielerbaan van het Sportpaleis van Antwerpen, waar toen nog elk jaar 'de Nacht van de Naastenliefde' werd georganiseerd, een wielermeeting voor profs. Ik zat niet in een of andere tribune, maar stond als klein manneke reikhalzend recht tussen de grotere mensen op het middenplein, het dorpsplein van de piste. Het wemelt er van de mensen en de baanwielrenners wemelen rondom hen, het is een heelal op zichzelf. Daar staat de tapkast, daar wordt gepalaverd en gedronken, gejuicht en uitgejouwd. Daar heb ik voor het eerst en ik denk voor het laatst meegeklapt en geroepen met de massa.

Daar zag ik Patrick Sercu voor het eerst zoeven op dat houten ovaal, op die koersfiets zonder remmen, alsmaar rechtdoor en alsmaar gebogen en alsmaar rondjes rijdend, keer op keer zich aan mij vertonend. Sercu, met die gebenedijde dijbenen van hem, met die zich ontbolsterende, opgespannen en tegelijk soepele kuitspieren, met zijn volle en toch smalle kop als van een jachtluipaard, zijn wenkbrauwlijn als een spoiler van een Porsche, met buskruit in het hele lijf, een roofdier op een zucht van zijn prooi. Een zucht en hij was weer voorbij. En hij kwam weer terug.

Op die Nacht van de Naastenliefde kon ik voor het eerst mijn stemmetje laten horen in het publieke debat. Nouja, debat: de speaker van dienst moedigde het publiek aan om zijn favoriete rennersduo toe te juichen. De decibelmeter zou dan het objectieve oordeel van de subjectieve fans vellen: het duo dat het luidste applaus vergaarde, had recht op nog een prijs.

De flosj

Toen de namen Patrick Sercu/Eddy Merckx uit de boxen weergalmden, sloeg ik mijn handen uit alle macht in elkaar en riep samen met het merendeel van dat middenplein mijn hoge stem hees voor dit koningskoppel. De decibelmeter ging de hoogte in. Hoog, hoger hoogst: ze hadden weer eens gewonnen! Mijn stem en steun had daartoe bijgedragen, en zo won ik voor het eerst zelf ook een beetje, nog maar een paar jaar nadat ik mij de koning te rijk had gevoeld toen ik op de draaimolen van de kermis - de wielerpiste van de kleuter - vanop een koersfietsje de 'flosj' had gepakt en op die manier een extra rondje had gewonnen. Armen in de lucht!

Nog eens pakweg vijf jaar later had Sercu zijn wielercarrière beëindigd en was ik de mijne begonnen. Maar elke baanwielrenner heeft op de kleine piste van Gent met zijn steile bochten aan den lijve ondervonden: de allereerste keer op die piste rijden is een verschrikking. Het lijkt of er bij de eerste bocht een muur op je afkomt. En dan nog een. En dan nog een. Uit schrik voor die steile bochten ga je langzaam rijden, een intuïtieve reactie. Terwijl je op de piste juist snél moet rijden om gezwind door de bochten te gaan: centrifugale kracht, weet u wel. Helaas, door het gebrek aan snelheid bij de bange beginneling op de piste is er onvoldoende middelpuntvliedende kracht om je lijf en leden en fiets tegen het piste-oppervlak gedrukt te houden. En dus schuif je omlaag, slipt het achterwiel enkele centimeters naar beneden en moet je dat weer corrigeren.

Het is Sercu zelf overkomen bij zijn debuut, zo heeft hij me ooit toevertrouwd. En het overkwam mij dus ook bij mijn eerste rondjes op de wielerbaan van Gent. En dat terwijl de toen net als actief renner gestopte Sercu mij toeriep: 'Sneller, sneller!'. Dat waren de woorden van de man op wie snelheid aan zijn scherp gesneden kaaklijn was af te lezen alsof hij door elke bocht scheerde en zo ook zijn eigen aangezicht boetseerde, scalpeerde bijna. Sercu, een man van de snelheid, met een fenomenale trapfrequentie, eerder dan een man van de kracht.

Ook in wegwedstrijden was hij als spurter op zijn best wanneer de laatste rechte lijn lichtjes afhelde en hij zijn beensnelheid nog meer dan de anderen opvoerde. Sercu, de hazewind in de sprint. Maar een heer in het verkeer, overal en altijd. Twee maanden na mijn eerste meters op die steile wanden van het Gentse Kuipke won ik onder scherp toezicht van Sercu mijn eerste puntenkoers bij de Nieuwelingen, niet zonder enige gewring met concurrent Alain Bruyneel, de broer van profwielrenner en de later gecontesteerde sportdirecteur Johan Bruyneel. Sercu stapte op me af, feliciteerde me en overhandigde me de zegebloemen. Maar wees me even vriendelijk als kordaat terecht: geen geduw of gebuffel op de piste graag.

Het typeert Patrick Sercu als renner en als mens: altijd een gentleman, en zelf nooit te betrappen op welk maneuver dan ook. Niet op het smalle zadel of aan het gekromde stuur, niet in het echte leven, en niet nu hij verdwijnt in de eeuwige nacht van de naastenliefde. Altijd was hij recht door zee, hoe eindeloos veel bochten hij op die soms vicieuze cirkel van de piste ook maakte. Een man voor wie de u-bocht geschapen leek, maar dan met een grote U. Ik groet U, Sercu.

Benno Wauters, auteur van '90 jaar Zesdaagse in Gent' (uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts)