Zaterdag 14 juli 2012

Steek de klaroen maar: 14 juli, quatorze juillet, is de befaamde nationale feestdag van Frankrijk. Een dag waarop elke Franse renner wil winnen, pour la France. Een dag dat de Fransen aanvallen als stormen ze opnieuw vooruit naar de Duitse linies bij Verdun. Een dag dat het Franse gild, helaas, zo vaak kanonnenvlees is voor lepere buitenlanders die zich verschansen in het peloton en pas als de Franse aanval afgeslagen is, hun kans wagen. Ook al is de rit is eigenlijk ideaal voor sprinters - weerom erg lang (217 kilometer) en biljartvlak, op één klein (maar steil) klimmetje na - de Fransen maken zich sterk dat de wind die in deze contreien fel kan waaien het peloton uit elkaar kan rukken, en ze denken dan aan de felle aankomst in La Grande-Motte, in 2009, toen het peloton in waaiers uiteenviel en een klein groepje voor de zege sprintte. Ze vergeten daarbij toch wie toen won: Mark Cavendish.

Ook in deze Tour zal het niet anders zijn dan de vorige jaren. Elke dag zijn ze in beeld, elke dag in de aanval: renners uit Franse ploegen. Het is hun kracht, hun charme, hun publicitaire waarde, maar het verraadt ook een zekere armoede. De vlucht vooruit in de rit was jarenlang een vlucht uit de werkelijkheid. Tot de ontbolstering van de jonge Fransman Pierre Rolland vorig jaar leek het Franse wielrennen structureel ziek. De Fransen reden elke Tour weer een aparte competitie: die voor de prijs van de strijdlust. De Grote Troostprijs. En dat is meestal ook het hoogst gegrepen voor ploegen die niet tot de wereldtop behoren, maar in de Tour mogen starten omdat ze Frans zijn.

De Franse publieke opinie praatte die achterstand goed met het argument van de ploegleiders: de Fransen waren het slachtoffer van le cyclisme à deux vitesses, de buitenlanders zijn allemaal verdacht als dopés, de Franse renners zijn zo zuiver als Vittel. Elke slecht presterende Franse renner kwam met die uitleg weg. Behalve bij Bernard Hinault. Die had zijn remedie om tot betere prestaties te komen: "Ze moeten hun salaris in tweeën hakken en een flink stuk variabel maken naargelang de prestaties"

Het enige rolmodel dat het voorbije decennium in Frankrijk overheerste, was dat van gekbek Jacky Durand: de eeuwige aanvaller, vaak met succes. Dat is ook de categorie waartoe Thomas Voeckler behoort, zij het dat taaie Thomas een veel completere renner is dan jolige Jacky. Al was er vorig jaar - gelukkig - een mooie doorbraak van een jonge Franse generatie. In het spoor van Voeckler lukte zijn hele ploeg een prachtige Tour, en ploegmaat Pierre Rolland (10e) droeg de witte trui als beste jongere. In 2011 plaatsten ook andere Fransen als Jean-Christophe Péraud (9e), Jérôme Coppel (11e) en Arnold Jeannesson (14e) zich vooraan in Parijs. Maar dat deden ze niet door de Tour te kruiden, maar door taai en voorbeeldig aan te klampen.

Hersenloos aanvallen Dat de Franse renners zich niet laten opjagen om dom te rijden op hun nationale feestdag, het lukt toch niet. Trouwens, het ideale terrein voor de Franse aanvallers is allang niet meer de zogenaamde overgangsetappe, maar de echte bergrit. In de vlakke etappes mikken de grote ploegen immers op ritwinst en dus doen ze er alles aan opdat een kleine garnaal onder hun neus geen ritje meepikt. In de Alpen en Pyreneeën is ritwinst secundair aan tijdwinst. Dan komt het erop aan tijd te nemen, of alleszins geen tijd te verliezen. Vandaar dat in de Tour van 2010 de Franse aanvallers ineens vijf op zeven haalden in het hooggebergte. Sylvain Chavanel won dat jaar op Les Rousses, Sandy Casar in Saint-Jean-de-Maurienne, Christophe Riblon op Plateau de Bonascre, Thomas Voeckler in Bagnères-de-Luchon en Pierrick Fedrigo in Pau.

Het Franse wielrennen zit met andere woorden in de lift omhoog. Dat ze dus stoppen met dat hersenloos aanvallen in ritten waar dat toch niet kan. Wie aanvalt in de rit die leidt naar de beroemde naaktstranden van Le Cap-d'Agde gaat met de billen bloot. Beter even wachten tot de dag nadien. Zondag moet er immers geklommen worden en die dag hoort toch nog een beetje bij 'het weekend van de nationale feestdag'. Laat ze dan maar zingen zoals alleen Fransen dat kunnen: "Allons, enfants de la patrie, le jour de gloire est arrivé." En Yves Leterme, maar die woont inmiddels in Parijs.

Walter Pauli

Steek de klaroen maar: 14 juli, quatorze juillet, is de befaamde nationale feestdag van Frankrijk. Een dag waarop elke Franse renner wil winnen, pour la France. Een dag dat de Fransen aanvallen als stormen ze opnieuw vooruit naar de Duitse linies bij Verdun. Een dag dat het Franse gild, helaas, zo vaak kanonnenvlees is voor lepere buitenlanders die zich verschansen in het peloton en pas als de Franse aanval afgeslagen is, hun kans wagen. Ook al is de rit is eigenlijk ideaal voor sprinters - weerom erg lang (217 kilometer) en biljartvlak, op één klein (maar steil) klimmetje na - de Fransen maken zich sterk dat de wind die in deze contreien fel kan waaien het peloton uit elkaar kan rukken, en ze denken dan aan de felle aankomst in La Grande-Motte, in 2009, toen het peloton in waaiers uiteenviel en een klein groepje voor de zege sprintte. Ze vergeten daarbij toch wie toen won: Mark Cavendish. Ook in deze Tour zal het niet anders zijn dan de vorige jaren. Elke dag zijn ze in beeld, elke dag in de aanval: renners uit Franse ploegen. Het is hun kracht, hun charme, hun publicitaire waarde, maar het verraadt ook een zekere armoede. De vlucht vooruit in de rit was jarenlang een vlucht uit de werkelijkheid. Tot de ontbolstering van de jonge Fransman Pierre Rolland vorig jaar leek het Franse wielrennen structureel ziek. De Fransen reden elke Tour weer een aparte competitie: die voor de prijs van de strijdlust. De Grote Troostprijs. En dat is meestal ook het hoogst gegrepen voor ploegen die niet tot de wereldtop behoren, maar in de Tour mogen starten omdat ze Frans zijn. De Franse publieke opinie praatte die achterstand goed met het argument van de ploegleiders: de Fransen waren het slachtoffer van le cyclisme à deux vitesses, de buitenlanders zijn allemaal verdacht als dopés, de Franse renners zijn zo zuiver als Vittel. Elke slecht presterende Franse renner kwam met die uitleg weg. Behalve bij Bernard Hinault. Die had zijn remedie om tot betere prestaties te komen: "Ze moeten hun salaris in tweeën hakken en een flink stuk variabel maken naargelang de prestaties" Het enige rolmodel dat het voorbije decennium in Frankrijk overheerste, was dat van gekbek Jacky Durand: de eeuwige aanvaller, vaak met succes. Dat is ook de categorie waartoe Thomas Voeckler behoort, zij het dat taaie Thomas een veel completere renner is dan jolige Jacky. Al was er vorig jaar - gelukkig - een mooie doorbraak van een jonge Franse generatie. In het spoor van Voeckler lukte zijn hele ploeg een prachtige Tour, en ploegmaat Pierre Rolland (10e) droeg de witte trui als beste jongere. In 2011 plaatsten ook andere Fransen als Jean-Christophe Péraud (9e), Jérôme Coppel (11e) en Arnold Jeannesson (14e) zich vooraan in Parijs. Maar dat deden ze niet door de Tour te kruiden, maar door taai en voorbeeldig aan te klampen. Hersenloos aanvallen Dat de Franse renners zich niet laten opjagen om dom te rijden op hun nationale feestdag, het lukt toch niet. Trouwens, het ideale terrein voor de Franse aanvallers is allang niet meer de zogenaamde overgangsetappe, maar de echte bergrit. In de vlakke etappes mikken de grote ploegen immers op ritwinst en dus doen ze er alles aan opdat een kleine garnaal onder hun neus geen ritje meepikt. In de Alpen en Pyreneeën is ritwinst secundair aan tijdwinst. Dan komt het erop aan tijd te nemen, of alleszins geen tijd te verliezen. Vandaar dat in de Tour van 2010 de Franse aanvallers ineens vijf op zeven haalden in het hooggebergte. Sylvain Chavanel won dat jaar op Les Rousses, Sandy Casar in Saint-Jean-de-Maurienne, Christophe Riblon op Plateau de Bonascre, Thomas Voeckler in Bagnères-de-Luchon en Pierrick Fedrigo in Pau. Het Franse wielrennen zit met andere woorden in de lift omhoog. Dat ze dus stoppen met dat hersenloos aanvallen in ritten waar dat toch niet kan. Wie aanvalt in de rit die leidt naar de beroemde naaktstranden van Le Cap-d'Agde gaat met de billen bloot. Beter even wachten tot de dag nadien. Zondag moet er immers geklommen worden en die dag hoort toch nog een beetje bij 'het weekend van de nationale feestdag'. Laat ze dan maar zingen zoals alleen Fransen dat kunnen: "Allons, enfants de la patrie, le jour de gloire est arrivé." En Yves Leterme, maar die woont inmiddels in Parijs.Walter Pauli