Maandag 16 juli 2012

Pau blijft natuurlijk een legendarische naam in de geschiedenis van de Tour, maar als de renners niet vanuit de Pyreneeën naar Pau komen, kunnen het wel eens tegenvallende ritten zijn. Dan is Pau de laatste halte voor het barre klimwerk begint. Voor aanvallers, of natuurlijk voor sprinters. Het is een niet te lange rit van 158 kilometer, weliswaar gekruid met enkele hellingen van derde en vierde categorie, maar de laatste dertig kilometer gaat het in dalende lijn naar Pau, waar daags nadien de klassieke tweede rustdag van de Tour wacht. In een rotvaart naar de rustdag: zo zal het zijn.

Ethiek

Ooit had Pau een andere reputatie. Het was de stad van de opgevers. Niet zomaar van kleine renners, maar van grote namen, meestal sprinters, die geen zin meer hadden in vermoeiend klimwerk. Alleen deed zo'n renner dat beter een beetje discreet: de Tourdirectie heeft altijd de mond vol van 'ethiek', een kofferbegrip dat vervolgens met de Franse slag wordt ingevuld zoals dat de organisatoren betaamt. Zo zijn ze uiterst gevoelig voor opgaves van renners die in hun ogen daarvoor geen goede reden hebben. In het hoofd van de Tourorganisatie is het een eer om in Frankrijk te mogen rijden en moet een renner al zowat in staat van complete ontreddering zijn voor het geoorloofd is op te geven.

En van tijd tot tijd worden een renner de duimschroeven aangedraaid. Meestal zijn dat 'buitenlanders'. Het moet ook gezegd: een beetje Fransman geeft niet lichtzinnig op in de ronde van zijn eigen land. Fransen ontwikkelen zelfs de heroïek van de 'lijdende volhouder'. Zeker bij de dragers van de gele trui: Pascal Simon die in 1983 met een barst in het schouderblad blijft verder rijden, of Stéphane Heulot die wegens tendinitis het geel moet opgeven op de eindeloze klim van Cormet de Roselend. Zij huilden, en Frankrijk huilde met hen mee.

Vandaar dat de toenmalige directeur Félix Lévitan in 1981 niet kon lachen toen de olijke broers Eddy en Walter Planckaert aankondigden dat ze 'na België' zouden opgeven. De Tour deed dat jaar eerst de Pyreneeën aan, trok dan helemaal naar het noorden tot in Hasselt, om dan via een lange verplaatsing nog de Alpen aan te doen, en zo naar Parijs. Dat vonden de Planckaerts niet nodig, zeker niet nadat snelle Eddy in Zolder de rit won. Lévitan verplichtte hen, op straffe van eeuwige uitsluiting, mee af te reizen richting Alpen. Twee dagen later gaven de broers toch op. Toen mocht het. Het principe was gered.

Tourbazen tarten

Dat scenario was in Pau dus vaste prik. In 1983 voert Eric Vanderaerden een act op, de Comedy Cup waardig. Neoprof Vanderaerden was spectaculair aan zijn carrière begonnen: winst in de proloog en een rit in Parijs-Nice, vierde in Milaan-Sanremo (en prompt verweet hij de andere vedetten - Jan Raas, Sean Kelly, Guido Bontempi - 'in de slag te zitten' met winnaar Beppe Saronni) en twee ritten in de Vuelta (toen nog in april-mei verreden). In zijn allereerste Tour wint hij prompt de proloog, pakt dus geel, draagt later nog even groen, maar ploegleider Fred De Bruyne wil zijn jonge poulain niet forceren en vindt het niet nodig dat Vanderaerden zich kapot rijdt in de Pyreneeën en de Alpen. Hij is alleen zo dwaas dat ook te zeggen.

Andermaal komt Lévitan tussenbeide: als Vanderaerden zomaar opgeeft, hoeft hij in zijn verdere carrière niet terug te komen. Op weg naar Pau, daags voor de Pyreneeën, moet Vanderaerden dus doen alsof hij ziek is. Hij rijdt de hele dag alleen achterop, vele minuten na het peloton. Hij is 'zichtbaar lijdend': Lévitan tevreden, De Bruyne tevreden, en Vanderaerden hoeft niet te klimmen.

Eén renner meende de Tourorganisatie te kunnen tarten. In 1998 had Mario Cipollini in de eerste week van de Tour twee ritten gewonnen. Hij had er ook al vier in de Giro binnengehaald, dat volstond voor hem. Op weg naar Pau gaf hij niet alleen ostentatief op, hij deed dat met een geintje, door vanuit de ploegwagen de renners die nog in koers waren met zijn drinkbus te besproeien. Iedereen kon erom lachen. Behalve Tourdirecteur Jean-Marie Leblanc. Van 2000 tot 2003 kreeg hij gewoon geen startrecht, ook al was hij in 2002 wereldkampioen geworden. Het was de wraak van Pau.

Walter Pauli


Pau blijft natuurlijk een legendarische naam in de geschiedenis van de Tour, maar als de renners niet vanuit de Pyreneeën naar Pau komen, kunnen het wel eens tegenvallende ritten zijn. Dan is Pau de laatste halte voor het barre klimwerk begint. Voor aanvallers, of natuurlijk voor sprinters. Het is een niet te lange rit van 158 kilometer, weliswaar gekruid met enkele hellingen van derde en vierde categorie, maar de laatste dertig kilometer gaat het in dalende lijn naar Pau, waar daags nadien de klassieke tweede rustdag van de Tour wacht. In een rotvaart naar de rustdag: zo zal het zijn. EthiekOoit had Pau een andere reputatie. Het was de stad van de opgevers. Niet zomaar van kleine renners, maar van grote namen, meestal sprinters, die geen zin meer hadden in vermoeiend klimwerk. Alleen deed zo'n renner dat beter een beetje discreet: de Tourdirectie heeft altijd de mond vol van 'ethiek', een kofferbegrip dat vervolgens met de Franse slag wordt ingevuld zoals dat de organisatoren betaamt. Zo zijn ze uiterst gevoelig voor opgaves van renners die in hun ogen daarvoor geen goede reden hebben. In het hoofd van de Tourorganisatie is het een eer om in Frankrijk te mogen rijden en moet een renner al zowat in staat van complete ontreddering zijn voor het geoorloofd is op te geven. En van tijd tot tijd worden een renner de duimschroeven aangedraaid. Meestal zijn dat 'buitenlanders'. Het moet ook gezegd: een beetje Fransman geeft niet lichtzinnig op in de ronde van zijn eigen land. Fransen ontwikkelen zelfs de heroïek van de 'lijdende volhouder'. Zeker bij de dragers van de gele trui: Pascal Simon die in 1983 met een barst in het schouderblad blijft verder rijden, of Stéphane Heulot die wegens tendinitis het geel moet opgeven op de eindeloze klim van Cormet de Roselend. Zij huilden, en Frankrijk huilde met hen mee. Vandaar dat de toenmalige directeur Félix Lévitan in 1981 niet kon lachen toen de olijke broers Eddy en Walter Planckaert aankondigden dat ze 'na België' zouden opgeven. De Tour deed dat jaar eerst de Pyreneeën aan, trok dan helemaal naar het noorden tot in Hasselt, om dan via een lange verplaatsing nog de Alpen aan te doen, en zo naar Parijs. Dat vonden de Planckaerts niet nodig, zeker niet nadat snelle Eddy in Zolder de rit won. Lévitan verplichtte hen, op straffe van eeuwige uitsluiting, mee af te reizen richting Alpen. Twee dagen later gaven de broers toch op. Toen mocht het. Het principe was gered. Tourbazen tartenDat scenario was in Pau dus vaste prik. In 1983 voert Eric Vanderaerden een act op, de Comedy Cup waardig. Neoprof Vanderaerden was spectaculair aan zijn carrière begonnen: winst in de proloog en een rit in Parijs-Nice, vierde in Milaan-Sanremo (en prompt verweet hij de andere vedetten - Jan Raas, Sean Kelly, Guido Bontempi - 'in de slag te zitten' met winnaar Beppe Saronni) en twee ritten in de Vuelta (toen nog in april-mei verreden). In zijn allereerste Tour wint hij prompt de proloog, pakt dus geel, draagt later nog even groen, maar ploegleider Fred De Bruyne wil zijn jonge poulain niet forceren en vindt het niet nodig dat Vanderaerden zich kapot rijdt in de Pyreneeën en de Alpen. Hij is alleen zo dwaas dat ook te zeggen.Andermaal komt Lévitan tussenbeide: als Vanderaerden zomaar opgeeft, hoeft hij in zijn verdere carrière niet terug te komen. Op weg naar Pau, daags voor de Pyreneeën, moet Vanderaerden dus doen alsof hij ziek is. Hij rijdt de hele dag alleen achterop, vele minuten na het peloton. Hij is 'zichtbaar lijdend': Lévitan tevreden, De Bruyne tevreden, en Vanderaerden hoeft niet te klimmen. Eén renner meende de Tourorganisatie te kunnen tarten. In 1998 had Mario Cipollini in de eerste week van de Tour twee ritten gewonnen. Hij had er ook al vier in de Giro binnengehaald, dat volstond voor hem. Op weg naar Pau gaf hij niet alleen ostentatief op, hij deed dat met een geintje, door vanuit de ploegwagen de renners die nog in koers waren met zijn drinkbus te besproeien. Iedereen kon erom lachen. Behalve Tourdirecteur Jean-Marie Leblanc. Van 2000 tot 2003 kreeg hij gewoon geen startrecht, ook al was hij in 2002 wereldkampioen geworden. Het was de wraak van Pau. Walter Pauli