Woensdag 18 juli

De Tour van 1995. Dat jaar is de perszaal onderbracht in het gigantische Palais de Sport van Pau, de baskettempel van Pau-Orthez. Ik tik op mijn klavier: 'Pau. Van onze verslaggever ter plaatse'. Meer moet dat niet zijn. Hiervoor ben ik journalist geworden. Om in Pau te kunnen - te mogen - zijn. In Pau, waar de Tour de France ophoudt met louter sport te zijn en omfloerst geraakt door geschiedenis en flarden legenden.

In een editie van de Ronde van Frankrijk waar haast geen enkele bergrit meer is wat ze ooit was, zijn de 197 klassieke kilometers tussen Pau en Luchon een baken van herkenning, van stijl, van rijke historie ook. Pau en Luchon waren al in de jaren twintig vertrouwenwekkende namen in het Tourparcours en dat zijn ze nog steeds. Tussen haakjes: de rit van Pau naar Luchon is oneindig aantrekkelijker dan dezelfde rit in de omgekeerde richting. Richting Pau verlaat het peloton de Pyreneeën en gaat de finale over veertig dalende kilometers: meestal sprint een groepje vluchters om de zege. De legendarische vlucht van Eddy Merckx in 1969, van Luchon niet naar Pau maar naar het nabije Mourenx-ville-nouvelle, is natuurlijk de uitzondering die de regel bevestigt.

Omgekeerd biedt Pau-Luchon alles wat wielrennen magisch maakt. Eerst twee legendarische cols buiten categorie: Aubisque en Tourmalet. Dan twee eerbiedwaardige kruinen van eerste categorie: Aspin en Peyresourde. Vervolgens geen aankomst bergop, maar in Luchon: de renners vliegen omzeggens de Peyresourde af en recht door de finish. Ook dit jaar, en dat is een bewuste zet van de Tourdirectie: men hoopt zo de favorieten te verleiden niet tot het einde te wachten.

Krankjorum

Pau-Luchon is een klassieker, in 1926 zelfs het decor van de meest legendarische Touretappe aller tijden. Onder slagregens en ijselijke stormwind, reed (en stapte) Lucien Buysse solo naar Luchon. Nummer twee, de Italiaan Bartelomeo Aimo, finishte 25 minuten later. Nummer vijfentwintig, de taaie veteraan Paul Duboc, deed er al 2 uur 45 minuten langer over. Het gros van de renners kwam nooit aan, of toch niet reglementair. Een groep bereikte de vallei pas in de avondschemering, letterlijk in een (echte) bus. Om elf uur 's nachts startte de zoektocht naar onderkoelde renners die hoog in de Pyreneeën waren achtergebleven.

Ook later werd tussen Pau en Luchon Tourgeschiedenis geschreven. In 1983 vond hier een van de grootste paleisrevoluties uit de Tourgeschiedenis plaats. Voor de allereerste keer manifesteerden zich hier de Colombianen: Patrocinio Jiménez greep de bollentrui ('onze' Lucien Van Impe ontfutselde die later weer), maar een klein groepje jonge durfallen reed de favorieten op vele minuten: de pezige Schot Robert Millar, die de rit won, een krankjorum dalende Pedro Delgado (in de afzink van de Peyresourde ging hij met zijn neus tot voorbij zijn voorwiel hangen) en een stuk verderop de renner die eruitzag als een tomboy maar wel als 23-jarig jonkie die Tour zou winnen: Laurent Fignon.

Drie jaar later rijdt de oude Bernard Hinault op datzelfde parcours naar zijn doem. Overmoedig valt hij aan op de Tourmalet, al op de Aspin toont hij de eerste tekenen van verzwakking, op de Peyresourde kan hij amper aanklampen. Zo is dat in dit soort ritten: het is niet het terrein voor de bescheiden aanval of onderdrukte emoties. Het gaat om zelf ten strijde trekken of overrompeld worden. Om de dood of de gladiolen.

Murw rijden

In theorie is Pau-Luchon ook dit jaar dé rit die zich leent voor een episch gevecht. Het is de enige etappe met een opeenvolging van legendarische cols. Het is de enige etappe die over de 2000 meter gaat. Waar de echte klimmers nog niet zelf hoeven uit te halen, maar ze de mindere goden echt murw kunnen rijden. De enige voorwaarde is dat ze het hele parcours gebruiken, dus niet wachten tot de laatste kilometers van de Peyresourde, maar vroeger in de aanval trekken. Hoe vreemd ook: Pau-Luchon moet je vergelijken met Parijs-Roubaix. Ook daar is het onvergefelijk om het Bos van Wallers niét te gebruiken, ongeveer honderd kilometer van de streep, en te wachten met de eerste grote aanval tot Carrefour de l'Arbre.

Veel zal echter afhangen van de afweging van de renners: hoe schatten ze de rit van daags nadien in. Sparen ze (opnieuw) alle krachten tot de laatste slotklim van de laatste bergrit, daags nadien, of durven ze de oorlog aan in de rit waarin ze de tegenstander (maar ook zichzelf) het meest pijn kunnen doen?

Walter Pauli

De Tour van 1995. Dat jaar is de perszaal onderbracht in het gigantische Palais de Sport van Pau, de baskettempel van Pau-Orthez. Ik tik op mijn klavier: 'Pau. Van onze verslaggever ter plaatse'. Meer moet dat niet zijn. Hiervoor ben ik journalist geworden. Om in Pau te kunnen - te mogen - zijn. In Pau, waar de Tour de France ophoudt met louter sport te zijn en omfloerst geraakt door geschiedenis en flarden legenden. In een editie van de Ronde van Frankrijk waar haast geen enkele bergrit meer is wat ze ooit was, zijn de 197 klassieke kilometers tussen Pau en Luchon een baken van herkenning, van stijl, van rijke historie ook. Pau en Luchon waren al in de jaren twintig vertrouwenwekkende namen in het Tourparcours en dat zijn ze nog steeds. Tussen haakjes: de rit van Pau naar Luchon is oneindig aantrekkelijker dan dezelfde rit in de omgekeerde richting. Richting Pau verlaat het peloton de Pyreneeën en gaat de finale over veertig dalende kilometers: meestal sprint een groepje vluchters om de zege. De legendarische vlucht van Eddy Merckx in 1969, van Luchon niet naar Pau maar naar het nabije Mourenx-ville-nouvelle, is natuurlijk de uitzondering die de regel bevestigt. Omgekeerd biedt Pau-Luchon alles wat wielrennen magisch maakt. Eerst twee legendarische cols buiten categorie: Aubisque en Tourmalet. Dan twee eerbiedwaardige kruinen van eerste categorie: Aspin en Peyresourde. Vervolgens geen aankomst bergop, maar in Luchon: de renners vliegen omzeggens de Peyresourde af en recht door de finish. Ook dit jaar, en dat is een bewuste zet van de Tourdirectie: men hoopt zo de favorieten te verleiden niet tot het einde te wachten. KrankjorumPau-Luchon is een klassieker, in 1926 zelfs het decor van de meest legendarische Touretappe aller tijden. Onder slagregens en ijselijke stormwind, reed (en stapte) Lucien Buysse solo naar Luchon. Nummer twee, de Italiaan Bartelomeo Aimo, finishte 25 minuten later. Nummer vijfentwintig, de taaie veteraan Paul Duboc, deed er al 2 uur 45 minuten langer over. Het gros van de renners kwam nooit aan, of toch niet reglementair. Een groep bereikte de vallei pas in de avondschemering, letterlijk in een (echte) bus. Om elf uur 's nachts startte de zoektocht naar onderkoelde renners die hoog in de Pyreneeën waren achtergebleven. Ook later werd tussen Pau en Luchon Tourgeschiedenis geschreven. In 1983 vond hier een van de grootste paleisrevoluties uit de Tourgeschiedenis plaats. Voor de allereerste keer manifesteerden zich hier de Colombianen: Patrocinio Jiménez greep de bollentrui ('onze' Lucien Van Impe ontfutselde die later weer), maar een klein groepje jonge durfallen reed de favorieten op vele minuten: de pezige Schot Robert Millar, die de rit won, een krankjorum dalende Pedro Delgado (in de afzink van de Peyresourde ging hij met zijn neus tot voorbij zijn voorwiel hangen) en een stuk verderop de renner die eruitzag als een tomboy maar wel als 23-jarig jonkie die Tour zou winnen: Laurent Fignon. Drie jaar later rijdt de oude Bernard Hinault op datzelfde parcours naar zijn doem. Overmoedig valt hij aan op de Tourmalet, al op de Aspin toont hij de eerste tekenen van verzwakking, op de Peyresourde kan hij amper aanklampen. Zo is dat in dit soort ritten: het is niet het terrein voor de bescheiden aanval of onderdrukte emoties. Het gaat om zelf ten strijde trekken of overrompeld worden. Om de dood of de gladiolen. Murw rijdenIn theorie is Pau-Luchon ook dit jaar dé rit die zich leent voor een episch gevecht. Het is de enige etappe met een opeenvolging van legendarische cols. Het is de enige etappe die over de 2000 meter gaat. Waar de echte klimmers nog niet zelf hoeven uit te halen, maar ze de mindere goden echt murw kunnen rijden. De enige voorwaarde is dat ze het hele parcours gebruiken, dus niet wachten tot de laatste kilometers van de Peyresourde, maar vroeger in de aanval trekken. Hoe vreemd ook: Pau-Luchon moet je vergelijken met Parijs-Roubaix. Ook daar is het onvergefelijk om het Bos van Wallers niét te gebruiken, ongeveer honderd kilometer van de streep, en te wachten met de eerste grote aanval tot Carrefour de l'Arbre. Veel zal echter afhangen van de afweging van de renners: hoe schatten ze de rit van daags nadien in. Sparen ze (opnieuw) alle krachten tot de laatste slotklim van de laatste bergrit, daags nadien, of durven ze de oorlog aan in de rit waarin ze de tegenstander (maar ook zichzelf) het meest pijn kunnen doen?Walter Pauli