Vrijdag 20 juli 2012

Deze laatste vlakke etappe voor de Champs-Elysées zit gekneld tussen de Pyreneeën en de tijdrit. Het verloop ervan zal in grote mate bepaald worden door de stand van het deelnemersveld. Concreet: hoe hebben de ploegen van de topsprinters de Pyreneeën overleefd? Zijn Mark Cavendish, André Greipel en Tyler Farrar er nog altijd bij? Heeft Cavendish' Skyteam zich halfdood moeten rijden in de strijd om het geel voor Bradley Wiggins, of hebben ze nog jus over om deze rit te controleren?

Hoe dan ook is dat een klus. Na drie weken een rit van meer dan 220 kilometer moeten rijden is geen sinecure, ook niet voor profs. En wie het landelijke Frankrijk tussen Blagnac en Brive-la-Gaillarde een beetje kent, weet dat de invulling van een 'vlakke' etappe behoorlijk kan verschillen. De ritten in het begin van de Tour, in het noorden van Frankrijk, trekken door een weidse, Picardische variant van le plat pays. De Corrèze, de regio rond Brive-la-Gaillarde, noemen de Fransen misschien glooiend, maar is naar Belgische normen erg bosrijk en tevens zeer glooiend. Onderweg liggen vier hellingen van derde en vierde categorie: vluchters maken hier een kans.

De geschiedenis toont het gespleten karakter van deze rit. De laatste jaren was ook 'de vlakke rit na het hooggebergte', als ze al opgenomen was in het rittenschema, voorwerp van een kloeke massasprint. En dus won zowel in 2009 (Aubenas) als 2010 (Bordeaux) de eeuwige Cavendish. Maar in de pre-Cavendishtijd was die 'laatste vlakke rit' altijd voer voor aanvallers. Zo won Sylvain Chavanel (Montluçon, 2008), Sandy Casar (voor Axel Merckx, Angoulême, 2007), Matteo Tosatto (Mâcon, 2006), Giuseppe Guerini (Le Puy en Velay, 2005), Juan Miguel Mercado (Lons le Saunier, 2004), Pablo Lastras (Saint Maixent l'Ecole, 2003)... De namen op die erelijst leren dat alleen sterke renners in dit stadium van de Tour kunnen winnen.

Geen wereldkop

Tegelijk leert die namenlijst ook iets over het 'bedrog' van de Tour. De Tour leeft namelijk bij de illusie dat wie wint, toetreedt tot de geschiedenis van de Ronde van Frankrijk, de mythe van de wielersport. Dat is niet zo. De lijst van vergeten ritwinnaars is schier eindeloos. Wie herinnert zich Pol Verschuere nog? Nochtans was Polleke een verdienstelijk helper, een renner met ambitie ook. Anders win je toch geen drié Tourritten? In 1980 reed Verschuere voor IJsboerke. Op de Champs Elysées (!) klopte hij niemand minder dan de grote Sean Kelly. Dat succes werd hem gegund, maar niemand deed er echt wild over. In 1982 is het weer raak. Verschuere rijdt voor Vermeer-Thijs als helper van Fons De Wolf. In de ellendig lange zevende rit van Cancale naar Concarneau (235 kilometer) ontsnapt een groepje sterke 'namen van de tweede rij': Theo de Rooy, Pascal Poisson, William Tackaert, Ad Wijnands en Paul-Henri Menthéour. En Polleke Verschuere. Het wordt een millimeterspurt tussen Verschuere en Wijnands, op dat moment een van de jonge beloften van de almachtige ploeg van Peter Post. Maar Verschuere wint. Opnieuw: dat wordt amper genoteerd. 'Verschuere in Concarneau': het is ook voor de kranten geen wereldkop. In 1985 rijdt Verschuere voor Fagor, nu in dienst van Frank Hoste. Allereerste rit, van Nanterre naar Scéaux, zenuwachtigheid en verwarring alom. Michel Dernies, Gerrit Solleveld en Pol Verschuere blijven uit de greep van het peloton. Natuurlijk wint Verschuere. Ditmaal is er eerder verveling: wéér dat Polleke Verschuere. De belangstelling is zelfs minimaal, want later diezelfde dag - zo ging dat toen - werd een ploegentijdrit betwist. Système U, het team van Laurent Fignon, reed de vedettenploeg van La Vie Claire (Bernard Hinault, Greg LeMond en co) op bijna twee minuten. Dat was pas nieuws.

En elk jaar opnieuw staan er honderd Polleke Verschueres aan de start van de Ronde van Frankrijk, en in ritten als deze knokken en rijden ze zich de ziel uit het lijf. Voor ritwinst, voor eer en bekendheid. Tja. Pol Verschuere won zelfs drie ritten, en soms is dat nog te weinig voor faam en roem. Dat is niet echt rechtvaardig, maar zo is sport. Sport als spiegel voor het leven.

Walter Pauli