Zondag 22 juli


Net zoals de proloog nog niet helemaal Tour de France is, is in de laatste rit naar de Champs-Elysées diezelfde Tour eigenlijk al voorbij. Proloog en slotrit: ze horen er niet helemaal bij. Ook dit jaar zal de twintigste etappe iedereen opzadelen met een dubbel gevoel.

Dat de Tour de France sinds 1975 aankomt op de Champs-Elysées is natuurlijk een gouden greep. Het verankert de Ronde van Frankrijk in het nationale patrimonium van het land. De Tour hoort bij de Franse cultuur en de Franse geschiedenis, evengoed als het Louvre, de Guide Michelin, Edith Piaf, Versailles en zijn zonnekoning, de 24 uren van Le Mans, baguettes en croissants, het filmfestival van Cannes of het naaktstrand van Saint-Tropez. De Tour maakt Frankrijk tot wat het is. Dat wordt visueel gemaakt door de aankomst op de Champs-Elysées. Geen enkele andere rittenkoers heeft zo'n iconografisch slot, zelfs niet de Giro bij de Dom van Milaan.

Tegelijk is de slotrit naar de Champs-Elysées van een absolute debiliteit, toch tot de eerste passage aan de aankomstlijn. Tot dan meent het peloton namelijk lollig te moeten doen. De aanstokers daarvan zijn de onvermijdelijke fotografen. Goed, dat ze een beeld willen van de gele trui, en een van het podium, of van alle truien samen, en dan nog eens een van elke trui apart, en van de eerste samen met de laatste: tot daar aan toe. Maar waarom in godsnaam elk jaar weer een foto van renners met een glas champagne? De eerste keer was dat een prettige vondst, maar welke hersenloze motard zeult elk jaar weerom schuimwijn aan? Komen daar helaas nog eens bij: het lolligste hoofddeksel, de geinigste bekkentrekker, iemand die een kunstje uithaalt op de fiets. Als in een circus, en dat is heel spreekwoordelijk voor dit gebeuren.

En al die onzin gebeurt tegen een snelheid van twintig per uur. Elk jaar opnieuw haalt het peloton zelfs het traagste uurschema niet. Het blijft maar duren.

Criterium

Nu is die tergende traagheid de enige meevaller voor de meegereisde krantenjournalisten. De laatste jaren maakt de Tourdirectie er immers een punt van om de apotheose op de ultieme zaterdag te plaatsen: de slotklim naar de Ventoux in 2009, beslissende tijdritten in 2010 (Bordeaux) en 2011 (Grenoble, daags na de klimfinale op Alpe-d'Huez). Terwijl dus de renners zondagochtend per tgv vanuit Zuid- of Midden-Frankrijk richting de hoofdstad gekogeld worden, wurmen alle volgers - mecaniciens, reclamejongens- en meisjes, medische dienst, pers, noem maar op - zich in de auto voor een ultieme rit van makkelijk een kleine 500 (vanuit Grenoble tot Parijs) tot een goede 600 (vanuit Bordeaux tot Parijs) kilometer. En dan moeten de slotbeschouwingen geschreven worden, het 'interview' met de gele trui (eigenlijk een collectieve meeting met een bomvolle perszaal) en de gesprekken met landgenoten en ploegleiders, al die adieus. Dat doen we dus terwijl het peloton achterblijft in de banlieus.

Het befaamde criterium op de Champs-Elysées is dan weer andere koek. Het begint met een officieus defilé, het peloton draait die majestueuze allee op, met op kop het trotse team van de gele trui - behalve als een ergerlijke Fransman, genre Richard Virenque of Thomas Voeckler, meent dat zijn ego belangrijker is dan de gele trui en probeert als eerste te rijden. Lance Armstrong heeft Virenque toen diets gemaakt wat hij van hem dacht.

En dan wordt er geknald. Een atletische prestatie om u tegen te zeggen, voluit rondjes draaien over de kasseitjes. Er wordt gejaagd en gedemarreerd, gedemarreerd en gejaagd, en op een uitzondering na gesprint. En de sprint op de Champs-Elysées is het nec plus ultra van de massasprint. Voor sprinters is dat dé klassieker om te winnen, meer dan de Scheldeprijs of Parijs-Tours. En dus maakt Mark Cavendish hier zijn punt, nu al drie keer op rij. Sinds hij Parijs haalt (in 2009), won hij altijd, en telkens met een verbluffende overmacht. Hij draagt niet noodzakelijk de groene trui, maar in Parijs geraken de andere sprinters niet eens op zijn achterwiel. Alleen om die ultieme sprints van Cavendish blijft de laatste etappe van de Tour de France een monument op zich.

Walter Pauli