Zesdaagsen sterven een stille dood. Lang voorbij is de tijd dat er op een seizoen 20 werden gereden. Nu waren het er nog vijf. Daarin blijft die van Gent het grootste succesnummer. Kenny De Ketele, een van onze meest onderschatte renners, won vier van die vijf zesdaagsen: Gent, Rotterdam, Bremen en nu Kopenhagen. Twee daarvan met Moreno De Pauw. In Londen eindigde hij derde, in Berlijn tweede, telkens met De Pauw. Maar in de media wordt over deze wedstrijden amper nog geschreven.
...

Zesdaagsen sterven een stille dood. Lang voorbij is de tijd dat er op een seizoen 20 werden gereden. Nu waren het er nog vijf. Daarin blijft die van Gent het grootste succesnummer. Kenny De Ketele, een van onze meest onderschatte renners, won vier van die vijf zesdaagsen: Gent, Rotterdam, Bremen en nu Kopenhagen. Twee daarvan met Moreno De Pauw. In Londen eindigde hij derde, in Berlijn tweede, telkens met De Pauw. Maar in de media wordt over deze wedstrijden amper nog geschreven.Nochtans had België vroeger uitstekende pistiers. En de beste zesdaagsenrenner aller tijden. Patrick Sercu won er 88. Een record dat nooit zal gebroken worden. Sercu reed elke winter minimaal vijftien zesdaagsen. Dat kon hij het best, daarvoor ook werd hij het best betaald. Want de West-Vlaming beschikte over weerstand en uithouding. Het was naast zijn snelheid zijn grootste wapen. Sercu kon langer dan een ander in het rood rijden. Hij was eigenlijk gemaakt voor de piste. De manier waarop hij in ploegkoersen te keer ging, de verschroeiende versnellingen die hij plaatste, het was indrukwekkend om zien. Stuurvaardigheid en behendigheid, macht en kracht, overzicht en doorzicht, Sercu had het allemaal. De prestaties die hij op de wielerbaan leverde namen vaak buitenaardse proporties aan.Dat Patrick Sercu tot de koning van de zesdaagsen zou uitgroeien, had hij aanvankelijk nooit voor mogelijk gehouden. In de tweede profzesdaagse die hij in zijn carrière reed, met Eddy Merckx in Berlijn, werd hij na twee avonden op zeven ronden gekegeld. Op de verkeerde momenten aanvallen, overmoedig met de krachten woekeren, de gevestigde waarden van het wereldje reden het duo in de vernieling. Sercu-Merckx zorgden wel voor dynamiet in de wedstrijden, kwamen terug tot op vier ronden, maar Patrick kwam lijkbleek thuis, met koortsblazen op zijn gezicht. Hij zei dat zesdaagsen nooit iets voor hem konden zijn.Het werd dus anders. Sercu domineerde het wereldje vijftien jaar lang. Zijn geluk was dat hij aanvankelijk aan de zijde van de doorgewinterde Duitser Klaus Bugdahl kon rijden. Die bracht hem alles bij. Bugdahl, die altijd in een zwarte trui reed, was een ploegkoerser bij uitstek, geen afwerker, niet spectaculair, maar wel efficiënt. Hoe langer een koppelrit duurde, hoe meer hij boven zichzelf uitgroeide.Toen Patrick Sercu op 20 februari 1983, nu bijna 35 jaar geleden, een punt zette achter zijn carrière had hij 224 zesdaagsen gereden. Eigenlijk had hij meer dan 100 zesdaagsen kunnen winnen, maar omdat hij vaak van ploegmaat wisselde, kon hij het niet altijd opbrengen om telkens voor de overwinning te knokken. Patrick Sercu, wedstrijddirecteur van de zesdaagse van Gent, is nu 73 jaar.