Eli Iserbyt moest het eind oktober in Het Laatste Nieuws even ventileren, zijn ergernis over de alsmaar terugkerende vaststelling dat het veldritseizoen pas begint als Wout van Aert en Mathieu van der Poel aan de start verschijnen. 'Ik zou als neutrale fan ook denken: 'Losers, ze winnen drie maanden aan een stuk en nu kunnen ze niet mee.' Terwijl wij ons uiterste best doen om hen proberen te verslaan. Alleen: ze zijn zó belachelijk sterk.'
...

Eli Iserbyt moest het eind oktober in Het Laatste Nieuws even ventileren, zijn ergernis over de alsmaar terugkerende vaststelling dat het veldritseizoen pas begint als Wout van Aert en Mathieu van der Poel aan de start verschijnen. 'Ik zou als neutrale fan ook denken: 'Losers, ze winnen drie maanden aan een stuk en nu kunnen ze niet mee.' Terwijl wij ons uiterste best doen om hen proberen te verslaan. Alleen: ze zijn zó belachelijk sterk.' Begrijpelijk, zijn opmerking, want ook zonder de 'Grote Twee' ligt het niveau bijzonder hoog. Anderzijds klopt ook zijn 'Ze zijn zo sterk'-conclusie. Geen enkel ander duo heeft in de 'moderne' geschiedenis van het veldrijden, sinds de invoering van de Wereldbeker in het seizoen 1993/94, de sport zelfs zo overheerst. De cijfers spreken voor zich: vanaf het debuut van Van Aert en Van der Poel bij de profs, in het seizoen 2013/14, stonden ze sámen exact 125 keer aan de start van een UCI-veldrit (de criteriumcross in Waregem niet meegerekend). Daarvan won de Nederlander er 84 (67 procent) en de Belg 30 (24 procent), waaronder de laatste zeven WK's. In slechts 11 van die 125 crossen (9 procent) ging de zege naar een andere crosser. Zevenmaal gebeurde dat bovendien tussen de seizoenen 2013/14 en 2015/16. In de laatste vijf crosscampagnes zijn er dus amper drie renners in geslaagd een veldrit te winnen waarin de MvdP en WvA aan de start stonden. Toon Aerts deed het tweemaal: op het EK in oktober 2016 in Pontchâteau (mede omdat Van Aert en Van der Poel elkaar het wit uit de ogen keken) en op de Koppenberg, op 1 november 2018. Tussenin won Lars van der Haar de GP Mario De Clercq in Ronse, in oktober 2017, en Daan Soete was de snelste in Lokeren, in oktober 2018 (weliswaar omdat Van der Poel met een verzwikte enkel opgaf, en Van Aert door een lekke band pas zesde werd). Sinds Toon Aerts' zege op de Koppenberg won de 'Grote Twee' 27 crossen op rij waarin ze beiden een rugnummer opspelden. Weliswaar vooral door de dominantie van Van der Poel, die 24 keer een rechtstreeks duel in zijn voordeel beslechtte. Van Aert trok, mede door zijn beperkte crosscampagne in 2019/20 (pas hersteld van zijn zware val in de Tour van 2019), slechts driemaal aan het langste eind: vorig seizoen in Herentals, Dendermonde en Overijse - niet toevallig drie loodzware moddercrossen. Voor de rest was Matje superieur: naast Van Aert konden sinds 1 november 2018 slechts twee renners hem welgeteld één keer kloppen (in crossen waaraan WvA niet deelnam): Toon Aerts in Ronse, in december 2019, en Tom Pidcock in Gavere, in december 2020. Goed voor 60 zeges op in totaal 65 races, of liefst 92 procent. Van Aert moest vaker het hoofd buigen voor een collega, niet genaamd Van der Poel: voor Toon Aerts en Laurens Sweeck op de BK's in Kruibeke (2019) en Antwerpen (2020). En vorig seizoen voor Eli Iserbyt in Kortrijk en Boom, en voor Michael Vanthourenhout in Tábor. Weliswaar toen nog zoekend naar crossritme, in zijn eerste drie veldritten van het seizoen. Daar kunnen Iserbyt en co zich de komende crossen aan vastklampen: dat Van Aert en Van der Poel, meer dan de voorbije jaren, misschíén tijd nodig zullen hebben om te roderen. Anderzijds zijn zij na een competitiepauze van ruim twee maanden frisser dan hun crosscollega's die al sinds half september aan de bak zijn. En laten ze toch steken vallen, dan staat Tom Pidcock, die ook in Boom aan zijn veldritseizoen begint, klaar om die op te rapen. Om zo de rest weer met lege handen achter te laten.