1950 het jaar van het eerste officiële WK veldrijden, mét een grote naam als kampioen: ex-Tourwinnaar Jean Robic. Het begin van de Franse hegemonie in het veldrijden, met Roger Rondeaux en André Dufraisse die drie en vijf opeenvolgende regenboogtruien veroveren. Opgevolgd door de Italiaan Renato Longo en de Duitser Rolf Wolfshohl die vanaf 1959 de scepter overnemen, met vijf en drie wereldtitels. De Belgische crossers schieten dan nog tekort: zelfs zesvoudig nationaal kampioen Firmin Van Kerrebroeck behaalt amper één WK-medaille (zilver, in 1957).
...

1950 het jaar van het eerste officiële WK veldrijden, mét een grote naam als kampioen: ex-Tourwinnaar Jean Robic. Het begin van de Franse hegemonie in het veldrijden, met Roger Rondeaux en André Dufraisse die drie en vijf opeenvolgende regenboogtruien veroveren. Opgevolgd door de Italiaan Renato Longo en de Duitser Rolf Wolfshohl die vanaf 1959 de scepter overnemen, met vijf en drie wereldtitels. De Belgische crossers schieten dan nog tekort: zelfs zesvoudig nationaal kampioen Firmin Van Kerrebroeck behaalt amper één WK-medaille (zilver, in 1957). Dat blijkt ook in de verhouding van de startgelden. Terwijl de organisatoren in België voor de buitenlandse vedetten tot 5000 à 10.000 frank veil hebben (40 frank = 1 euro), moeten de eigen veldrijders het met veel minder stellen: van een paar 100 frank voor de subtoppers, tot goed 1000 frank voor Van Kerrebroeck. Ook zijn opvolger, Albert Van Damme, moet begin de jaren zestig ondanks drie nationale titels met een duizendtal frank tevreden zijn, steevast uitbetaald via enveloppes in achterafkamertjes. Pas wanneer ook de jonge Eric De Vlaeminck zich vanaf 1966/67 in de veldritdans mengt, met een eerste nationale en eerste wereldtitel, worden de budgetten in eigen land verschoven naar hem en Van Damme. Even grote rivalen als goeie collega's, beseffend dat hun veelbesproken duels ook financieel zullen renderen. De Vlaeminck, die van organisatoren eist dat ze er ook Van Damme moeten bijnemen als ze hem aan de start willen, wordt zelfs de eerste échte veldritprof. 'Hij had goed geluisterd naar Renato Longo die hem had geleerd hoe hij zijn regenboogtruien moest verzilveren', vertelt Marc Van Hamme, auteur van verschillende veldritboeken en als Meetjeslander een goede kennis van de broers De Vlaeminck. 'Zo kreeg Eric na zijn eerste wereldtitel in 1966 10.000 frank startgeld. De jaren erna, toen hij nog zes keer wereldkampioen werd, is dat verdrie/viervoudigd, bovenop een maandloon van 80.000 frank bij de wegploeg Flandria.' Albert Van Damme kan zijn startpremie pas echt opschroeven wanneer hij in 1974 voor het eerst wereldkampioen bij de profs wordt. 'Van 10.000 naar 25.000 frank', aldus de Leeuw van Laarne. 'Peanuts echter met wat Eddy Merckx ontving voor een zeldzame uitstap naar de cross. In het Spaanse Castelldefels kreeg hij in 1974 liefst 100.000 frank. En Eddy gaf waar voor zijn geld: hij werd derde, ik won, voor 35.000 toeschouwers.' Roger De Vlaeminck, die in 1975 Van Damme opvolgt als wereldkampioen, gaat daar nog boven. 'Ik vroeg en kreeg 120.000 frank, want als wegrenner met een beperkt crossprogramma kon ik de organisatoren tegen elkaar uitspelen. In Zwitserland heb ik zelfs een enkele keer 250.000 frank ontvangen', vertelt De Vlaeminck. 'Zijn broer Eric', vult auteur Mark Van Hamme aan, 'was daardoor wel wat gefrustreerd. Als nochtans meervoudig wereldkampioen in het veld verdiende hij immers een pak minder dan Roger, die wel een veel groter wegpalmares had.' In de jaren zeventig doet ook de eerste 'echte' crossmanager zijn intrede, Marcel De Meyer. Hij vertegenwoordigt Eric De Vlaeminck en Albert Van Damme, en nog veel andere crossers bij de onderhandelingen met organisatoren in binnen- en buitenland. Onder meer in Zwitserland, waar het veldrijden boomt dankzij toppers als Albert Zweifel (viervoudig wereldkampioen van 1976 tot 1979) en drievoudig vicewereldkampioen Peter Frischknecht. Ook in Frankrijk, Italië, Nederland en West-Duitsland maakt het veldrijden de sprong naar volwassenheid. Gepaard met ook steeds hogere startgelden, waar de nieuwe Belgische vedette, Roland Liboton, volop van profiteert. Na zijn eerste wereldtitel in 1980 stijgt zijn gage al richting 60.000 frank. En met nog drie regenboogtruien (van 1982 tot 1984) en een onafgebroken reeks van tien nationale titels (van 1980 tot 1989) klimt dat tot ruim 100.000 frank per cross. 'Eén keer heb ik in Frankrijk zelfs zo'n 150.000 Belgische frank gekregen, omdat ik evenveel wilde als Roger De Vlaeminck, die er ook zou starten', vertelt Liboton, die zijn startgeldonderhandelingen liet voeren door zijn oom Florent Janssens en voor buitenlandse wedstrijden door Marcel De Meyer. Grote bedragen worden in die jaren ook neergeteld voor wereldkampioenen die als semicrosser/wegrenner, in navolging van Roger De Vlaeminck, de regenboogtrui pakten, zoals Klaus-Peter Thaler (1985/1987) en Pascal Richard (1988). De Zwitser blijft op zijn 24e zelfs een jaar langer dan gepland crossen om te kunnen cashen. Ook de Duitse mountainbiker Mike Kluge, die in 1992 de wereldtitel verovert, strijkt het seizoen erna in Vlaamse veldritten, onder meer in Loenhout en Diegem, tot 80.000 frank op.Intussen heeft manager Marcel De Meyer concurrentie gekregen van ex-amateurcrosser Eric Matthys, die een deel van de Belgische markt inpalmt. Gevolg: soms hevige botsingen tussen hem en De Meyer, waarbij ze van organisatoren eisten dat ze geen crossers van de andere mochten inhuren. Wanneer De Meyer echter afhaakt, verwerft Matthys nagenoeg een monopolie als go between. In België weliswaar, want elk land heeft in die jaren een 'coördinator', als link tussen de renners en de organisatoren. Zo regelt Gerry van Gerwen de contracten van veel Nederlanders, onder wie Adrie van der Poel en Richard Groenendaal, voor de Belgische crossen. Zoals anderen dat doen in Frankrijk, Tsjechië, West-Duitsland en Zwitserland... Hoewel het veldrijden in die jaren negentig internationaler dan ooit is, plafonneren de bedragen. Wanneer Paul Herijgers in 1993 Belgisch kampioen wordt, stijgt zijn startpremie van 6000 naar 30.000 frank, een bedrag dat verdubbelt tot 60.000 frank na zijn wereldtitel in Koksijde in 1994. Ook wanneer Mario De Clercq (in 1998, 1999 en 2002) en Erwin Vervecken (2001) de regenboogtrui behalen, overstijgt hun startgage (zo'n 100.000 frank) niet die van Roland Liboton in de jaren tachtig. Van een strikte regulering is dan ook nog geen sprake. 'Er was amper controle, en dus werd er veel gesjoemeld. Vaak werd de ene helft van het bedrag boven en de andere helft ónder tafel betaald, in het zwart. Opgepast dus met bedragen die sommigen nog altijd noemen', aldus een organisator van toen, die liever anoniem wil blijven. Startgeld dat na de cross, met de inkomsten uit de ticketverkoop, ook nog in enveloppes werd gestoken, zoals in de decennia ervoor. Die werden vervolgens uitgedeeld aan de renners, netjes aanschuivend in de rij. 'Ik herinner me dat mijn vader en ik, met een tas vol bankbiljetten bij de hand, ons een weg tussen de zatte toeschouwers naar het uitbetalingslokaal moesten banen, onder politiebegeleiding', vertelt Gert Matthys. Hij is de zoon van Eric die in 2003 mee in de 'familiezaak' stapt en die in 2006 helemaal overneemt. 'Van enveloppes was toen geen sprake meer. Alles werd op papier gezet, inclusief fiscale fiches. En voortaan betaalde ook de Belgische wielerbond alle startpremies uit. Alleen een enkele buitenlander kreeg soms nog cash geld.' Tegelijkertijd leeft het veldrijden in Vlaanderen als nooit tevoren. Na het verlies van het voetbalcontract aan VTM in 1994 zet de VRT vanaf de eeuwwisseling vol in op het veldrijden. Meer uren op tv betekent meer sponsors en hogere budgetten voor organisatoren. Met jonge toptalenten als Bart Wellens en Sven Nys als nieuwe aantrekkingspolen. Zeer populaire renners die naar elke cross horden supporters meebrengen en vaak clashen met de oude generatie Groenendaal/Vervecken/De Clercq. Het extra peper en zout dat het veldrijden nog meer kruidt. Allemaal factoren die ook de startgelden doen exploderen. Zeker wanneer Nys in 2005 eindelijk zijn eerste wereldtitel verovert. Een extra argument om zijn startpremie op te vijzelen: 6000 euro voor klassementscrossen, 8000 euro voor losse crossen. Tot ergernis van de kleinere organisatoren, die vaak gedwongen worden om een groot deel van hun budget aan Nys te spenderen. Die bindt immers nooit in: 'Ik heb jaren gewerkt om deze status te bereiken, daar wil ik nu de vruchten van plukken', zegt hij in oktober 2008 in een interview met het nieuwe opkomende talent, Niels Albert. Als charismatische beloftewereldkampioen verdient die, in zijn eerste volledige seizoen als prof, al tot 4000 euro. Wanneer Albert het jaar erna al zijn eerste regenboogtrui behaalt, voorafgegaan door de Nederlander Lars Boom in 2008 en opgevolgd door de Tsjech Zdenek Stybar in 2010, sluiten de Grote Vier van het veldrijden een deal: voor klassementscrossen krijgen ze elk 6000 euro, plus 1000 euro per kampioenentrui (als nationaal en/of wereldkampioen). Soms aangevuld met een 'representatie'-vergoeding wanneer ze na cross nog een interviewtje in de steeds vollere viptenten geven. Nys doet daar na zijn tweede wereldtitel in 2013 voor de losse wedstrijden een schepje bovenop. In oktober 2014 tellen de organisatoren van de Kruibeekse Poldercross voor hun eerste editie zelfs 15.000 euro neer. Want, klinkt het: 'Wie Nys heeft, heeft volk.' En dat klopt: 8500 toeschouwers. Al zien die niet de Balenaar winnen, maar de 20-jarige beloftewereldkampioen Wout van Aert - diens tweede zege bij de profs. Hij en zijn grote rivaal Mathieu van der Poel incasseren dan al, in hun eerste volledige profseizoen (2014/15), tot 3000 euro per klassementscross. Bedragen die vlug vermenigvuldigen wanneer zij, na Nys' pensioen in 2016, nog meer hun stempel drukken: 8000 euro na Van der Poels eerste wereldtitel bij de elite in 2015, 9000 euro voor Van Aert na zijn eerste regenboogshirt in 2016, tot elk zo'n 10.000 euro de jaren erna. In klassementscrossen weliswaar, want de organisatoren van losse wedstrijden blijven gul, ook in het buitenland. In januari 2019 krijgt Van Aert zelfs 20.000 euro om te starten in het Bretoense La Mézière - volgens insiders nog altijd een record. 'Het is echter niet de zot die vraagt, maar de zot die geeft', zegt Gert Matthys, die zijn bijberoep als 'startgeldcoördinator' in 2014 opgeeft. De premies van zowat alle toppers worden immers hoofdzakelijk door hun (ploeg)managers onderhandeld. Bij Sven Nys, via het bureau SEM/Celio/Golazo, en bij de renners van de Spaar Select/Fideaploeg, via de flamboyante Nederlandse manager Hans van Kasteren, was dat zelfs al sinds halfweg de jaren 2000 het geval. De laatste jaren groeiden de verhoudingen echter steeds schever: surfend op de golf die Nys en later Van Aert en Van der Poel deden opwellen, vroegen immers meer en meer crossers steeds grotere bedragen. 'Dát was het probleem, niet zozeer het startgeld van de toppers', aldus een organisator. Een verhouding die door de coronacrisis en de toeschouwerloze veldritten dit seizoen helemaal op de schop ging. Veel 'gevende zotten' schieten er bij de organisatoren immers niet meer over. Toppers als Iserbyt, Aerts, Sweeck, Vanthourenhout en Van der Haar vallen zo terug op nog 'slechts' 2250 euro tot 1000 euro. Alleen Van Aert en Van der Poel moeten in hun beperkt programma niet inbinden, met elk 10.000 euro. Al hadden ze, na hun glansprestaties op de weg van afgelopen zomer, in een normaal jaar allicht meer gekregen. Opvallend: volgens de nieuwe UCI-barema's kan Van Aert als pas 33e in de UCI-ranking (wegens amper zeven afgewerkte veldritten vorig seizoen) geen euro startgeld opstrijken. Pas vanaf plaats 25 heeft een crosser recht op minimaal 150 euro. Maar er mag wel een bijkomend bedrag onderhandeld worden. En zo verdient de Kempenaar komende zaterdag in Kortrijk, in zijn eerste wedstrijd van het seizoen, toch 10.000 euro. Supporters zal hij niet kunnen meebrengen, maar de media-aandacht, de kijkcijfers en de visibiliteit voor de sponsors zal des te groter zijn - zeker als Van der Poel vanaf 12 december ook in de arena treedt. En zoals Nys al in 2008 zei: 'De besten moeten worden betaald.' Tot spijt van wie het benijdt, ook in coronatijden.