Volgens Sven Nys is het soms beter om 80 procent te geven dan 100 procent

17/10/18 om 05:37 - Bijgewerkt op 16/10/18 om 21:35

Oud-veldrijder Sven Nys bundelde de belangrijkste lessen die hij als sporter en manager leerde in het boek Winnaars hebben een plan. Sport/Voetbalmagazine biedt u een fragment aan: ' Heeft dat ene kleine foutje geen negatieve invloed op het resultaat? Jaag je er dan niet in op, en laat het los.'

Volgens Sven Nys is het soms beter om 80 procent te geven dan 100 procent

Sven Nys. © Jelle Vermeersch

Je zou kunnen verwachten dat ik als perfectionist zelf de neiging heb om te veel van mezelf te verwachten. In het begin van mijn carrière was dat zo. Toen liet ik niets aan het toeval over en moest elk detail tot in de puntjes in orde zijn voor ik gerustgesteld was. Ik noteerde in een schriftje niet alleen hoeveel kilometers ik elke dag getraind had, ik hield ook tot op de gram en zelfs tot op de calorie bij wat ik at. Heel nauwgezet waakte ik over de percentages vetten en koolhydraten van alles wat op mijn bord kwam. Ik verwachtte van mezelf geen 100 procent, maar 110 procent toewijding.

Het gevolg was dat ik even veeleisend was voor mijn directe omgeving. Zo moest Isabelle elke keer twee potjes klaarmaken en konden we nooit eens ongestoord genieten van een meer bourgondische maaltijd.

Ook mijn sociale leven stond in die periode op een laag pitje. Afspreken met kameraden om een glas te gaan drinken of goed te gaan eten, was er maar zelden bij. De vrees voor overdaad of te weinig nachtrust haalde altijd de bovenhand. Ook daar leed Isabelle onder, en bepaalde vriendschappen heb ik toen zeker verwaarloosd. Iedereen moest maar begrip hebben voor het feit dat ik hyperprofessioneel met mijn vak bezig was. Mijn hele leven, inclusief de geneugten des levens, stond in het teken van mijn fysieke fitheid.

Delen

Er zijn renners van wie ik denk: zij zouden veel beter kunnen, maar om de een of andere reden kunnen of willen ze die laatste procentjes niet opbrengen. Dat is zonde, en voor een ambitieuze perfectionist zoals ik is dat niet altijd makkelijk om mee om te gaan.

Maar er is ook zoiets als mentale fitheid. Ondanks alle in spanningen van mezelf en mijn naasten, kun je niet elke wedstrijd winnen. Toen ik bijvoorbeeld een paar jaar na elkaar naast de wereldtitel greep, frustreerde me dat enorm, omdat ik niet goed inzag hoe ik mijn lat nog hoger kon leggen. De druk die ik mezelf oplegde en de ontgoocheling wan neer ik niet aan mijn eigen verwachtingen voldeed, hadden ook hun weerslag op mijn naaste omgeving. Ook hun mentale belastbaarheid bereikte een kritiek punt, het elastiekje stond op springen.

Door de geboorte van Thibau en het advies van Geert Leinders en Paul Van Den Bosch heb ik gelukkig leren relativeren. Zij hebben me doen inzien dat ik het anders moest aanpakken, wilde ik op korte termijn niet op een burn­out afstevenen, en zelfs op een persoonlijke en familiale crisis. Dat zat soms in kleine dingen, zoals Paul die me aanspoorde om af en toe eens een pak frieten te eten. Zo heb ik gaandeweg geleerd om de lat op een niveau te leggen dat me niet frustreerde en dat zowel mij als de mensen om mij heen de ruimte liet om gelukkig te zijn.

Sommigen vinden me ongetwijfeld nog steeds een controlefreak, maar ik kan het echt waarderen als mensen op een relaxtere manier in het leven staan en soms evenveel resultaat halen. Ik ben daar zelfs jaloers op en probeer daar steeds meer een voorbeeld aan te nemen. Ik ga niet de fout maken om de renners van Telenet Fidea Lions voortdurend op de huid te zitten en elke dag te polsen naar hun trainings­ en eetgewoonten. En de medewerkers van het Sven Nys Cycling Center ga ik niet continu bestoken met wat volgens mij nog beter kan. Want daar doe ik noch mezelf noch de anderen een plezier mee. Die hang naar perfectionisme zou aanvankelijk misschien gewaardeerd worden, maar op een zeker moment zou die appreciatie omslaan in irritatie. Eerst bij de ander, en vervolgens ook weer bij mij. Die wederzijdse ergernis heeft onvermijdelijk een weerslag op de samenwerking.

Het is belangrijk hoofd­ en bijzaak van elkaar te onderscheiden en het uiteindelijke einddoel voor ogen te houden. Heeft dat ene kleine foutje geen negatieve invloed op het resultaat? Jaag je er dan niet in op, en laat het los. Investeer je extra energie in dat ene detail, of eis je dat van je naaste medewerkers, wees dan zeker dat dat ook een meerwaarde oplevert. Zo niet, dan zadel je iedereen op met onnodige druk. Het is nobel om altijd 100 procent of zelfs 110 procent te ambiëren, maar vaak volstaat 80 procent als ideaal streefdoel, omdat de extra inspanningen die je levert om de resterende 20 procent vol te maken, vaak weinig return krijgen. Met alle stress van dien.

Delen

Om de balans van je ploeg te bewaken moet je met allerlei factoren rekening houden: niet alleen met de fysieke en mentale capaciteiten van een renner, maar ook met zijn populariteit en zijn belang voor de sponsor.

Kun je die laatste 20 procent aan iemand anders delegeren, dan creëer je voor jezelf meer ademruimte en bescherm je jezelf tegen een mogelijke burn­ out. Als iedereen binnen een werkomgeving dat doet, dan kan er gepresteerd worden in een ambitieuze, maar ontspannen sfeer.

Als veldrijder heb ik deel uitgemaakt van slechts twee ploegen: Rabobank en Landbouwkrediet, later Crelan. Dat waren in de eerste plaats wegteams, dus de dynamiek binnen een grotere ploeg heb ik alleen meegekregen tijdens de stages en die enkele wegwedstrijden die ik in het tussenseizoen reed. In crossploegen zoals die vandaag bestaan heb ik nooit gereden.

Toch heb ik nu, als teammanager, niet het gevoel dat ik iets gemist heb. Met Paul Van Den Bosch heb ik altijd een persoonlijke coach gehad van wie ik op psychologisch vlak veel geleerd heb. Met hem had ik natuurlijk een een­op­eenrelatie, terwijl je als teammanager met veel meer mensen moet samenwerken. Maar een van de basisprincipes lijkt me alvast hetzelfde: je kunt niet verwachten dat iedereen dezelfde mening of visie heeft als jij. Daar moet je empathie voor hebben, en daar moet ik blijvend aan werken.

Paul en ik waren het tijdens mijn carrière namelijk bij na over alles eens, terwijl ik nu met verschillende karakters moet leren omgaan. Zo zijn er renners die op een totaal andere manier denken dan ik, maar die volgens mij wel het maximum uit hun capaciteiten halen.

Maar er zijn ook renners van wie ik denk: zij zouden veel beter kunnen, maar om de een of andere reden kunnen of willen ze die laatste procentjes niet opbrengen. Dat is zonde, en voor een ambitieuze perfectionist zoals ik is dat niet altijd makkelijk om mee om te gaan. Dan kan ik niet veel meer doen dan hen van mijn visie proberen te overtuigen.

Delen

In de wedstrijden waarin we voelen dat de tegenstand een maatje te sterk is, sporen we onze renners aan om verstandig te koersen en een podiumplaats uit de brand te slepen. Dat vergt een ander denkkader dan ik vroeger als renner had.

Als de impact op de resultaten of de werking van het team in het gedrang komt, moet ik vroeg of laat misschien ingrijpen, maar zo eenvoudig is dat niet. Om de balans van je ploeg te bewaken moet je met allerlei factoren rekening houden: niet alleen met de fysieke en mentale capaciteiten van een renner, maar ook met zijn populariteit en zijn belang voor de sponsor. Als sportman kon ik me louter focussen op het sportieve aspect en de trainingsarbeid, maar als manager tellen ook de sponsorbelangen mee. Zonder sponsor geen ploeg, zonder prestaties misschien ook geen sponsor meer. Als manager moet ik voortdurend over dat evenwicht waken.

Soms zit er niets anders op dan rekening te houden met ieders karakter en er alsnog het beste van te maken, in een gezonde wisselwerking. Want ook als manager of coach kun je blijven bijleren van anderen en kan het interessant zijn om situaties vanuit een ander perspectief te bekijken. Al te halsstarrig vasthouden aan bepaalde principes is niet altijd productief, al moet je er wel over waken dat je je eigen basisfilosofie niet uit het oog verliest.

Wat de sportieve ambities van Telenet Fidea Lions betreft, bevind ik me als manager in een andere positie dan als crosser. Als favoriet mocht ik mezelf de druk opleggen om bijna elke week een gooi naar de overwinning te doen, maar zo hoog mag ik de lat voor mijn renners niet leggen. Voor ieder van hen moet ik zo correct mogelijk inschatten hoever de mogelijkheden op het moment in kwestie reiken, los van het potentieel dat ze in de toekomst nog kunnen verwezenlijken. Vraag je te snel te veel, dan krijg je te maken met gefrustreerde renners.

Wat pure individuele klasse betreft, kunnen onze renners maar zelden wedijveren met Mathieu van der Poel en Wout Van Aert. Toch zijn er wedstrijden waar ik aanvoel dat er mogelijkheden zijn. Niet zelden hameren ploegleider Kris en ik daarbij op de collectieve sterkte van ons team.

Hoewel de ploegtactiek in de cross niet zoveel invloed heeft als op de weg, hebben we in 2017 de Wereldbekercross in Hoogerheide kunnen winnen door als ploeg heel verstandig te rijden. Lars van der Haar won in eigen land, voor Tom Meeusen en Corné van Kessel: drie Telenet Fidea Lions op het podium!

De tactiek bestond erin om dominantie te tonen en elk om beurt de concurrentie af te matten, tot één demarrage voor een definitieve kloof zorgde. Om te winnen moet je individueel natuurlijk een topprestatie leveren, maar soms moeten je ploegmaats je ook de overwinning gunnen. Op dezelfde manier heeft Toon Aerts dat seizoen ook het Europees kampioenschap en de GP Sven Nys in Baal gewonnen, en in oktober 2018 heeft Lars topfavorieten Mathieu en Wout verslagen in Ronse. Op de Koppenberg dwongen we Mathieu van der Poel eveneens bijna op de knieën, maar hij brak helaas voor ons net niet op tijd.

In de wedstrijden waarin we voelen dat de tegenstand een maatje te sterk is, sporen we onze renners aan om verstandig te koersen en een podiumplaats uit de brand te slepen. Dat vergt een ander denkkader dan ik vroeger als renner had.

Volgens Sven Nys is het soms beter om 80 procent te geven dan 100 procent

© /

Ik verwacht vooral dat mijn renners er het maximum uit halen. Als dat betekent dat ze tweede of derde worden, dan ben ik ook tevreden. Met Telenet Fidea Lions zetten we in op de breedte, in plaats van te rekenen op één enkele kopman waar alles van afhangt. Want als die door omstandigheden wegvalt, heb je een probleem. Op dat teambelang, waarover later meer, heb ik heel hard ingezet en dat rendeert.

Na afloop van het seizoen 20172018 hadden we vijf renners in de top tien van de UCI­stand staan. Dan kun je wel stellen dat je als blok goed hebt gereden. In totaal hebben we een zeventigtal podiumplaatsen behaald. Daar waren zeges bij van Lars van der Haar, Corné van Kessel, Toon Aerts en Ellen Van Loy, terwijl Daan Soete brons pakte op het Belgisch kampioenschap en, net als Quinten Hermans, derde werd in een Wereldbekercross. Tom Pidcock en Fleur Nagengast pakten zelfs de eindzege in de Wereldbeker voor beloften. Louter sportief kan ik dus niet anders dan tevreden zijn.

Daarnaast willen we met beperkte middelen de supporters charmeren en een beleving rond ons team creëren, zodat ook de sponsors return krijgen voor hun investeringen. Aangezien we niet over de allersterkste renners beschikken, proberen we sympathie te winnen door uit te stralen dat ons team bestaat uit een hechte groep vrienden, die beleefd met de media en het publiek omgaan. Onze mascotte die op de cross rondloopt moet kinderen warm maken voor de ploeg Telenet Fidea Lions, terwijl we sterk inzetten op sociale media om ons team in de kijker te zetten. Met succes, want het aantal Instagramvolgers is de voorbije twee seizoenen de hoogte ingegaan.

In deze periode van hegemonie van Mathieu van der Poel en Wout Van Aert vervullen wij de rol van outsider, en elke cross voel ik dat onze renners en onze sponsors aan populariteit winnen. Ik ben er dan ook van overtuigd dat we zonder veel crossen te winnen toch een sterke voet in het milieu van het veldrijden kunnen zetten. Of hoe je met realistische en aangepaste ambities toch voldoening kunt bereiken.

Winnaars hebben een plan, Sven Nys. Van Halewyck, 224 blz, 19,99 euro.

Onze partners