Op de voorlaatste dag een ultieme confrontatie op een lastige slotklim: ASO paste dat concept in het recente verleden slechts één keer toe: in 2009 met de showdown op de Mont Ventoux. In de andere jaren sloop telkens nog een vlakke rit en/of een lange tijdrit tussen de laatste bergetappe en het défilé op de Champs-Élysées. De apotheose op de Ventoux paste wel in het rijtje van historische cols waar de finale van de Tour sinds 2007 plaatsvindt: Aubisque (2007), L'Alpe d'Huez (2008), Tourmalet (2010), het tweeluik Galibier-L'Alpe d'Huez (2011) en Peyresourde/Peyragudes (2012).

Dit jaar kozen de organisatoren echter voor een nieuwe col: de klim van Annecy-Semnoz. 'Slechts' 1655 meter hoog, maar daarom niet minder lastig: 10,7 km aan 8,5%, met 4 kilometer boven 9,5 %. Wie nog buskruit over heeft, kan in een alles-of-nietspoging de Tour alsnog laten ontploffen, zeker omdat de etappe amper 125 kilometer lang is.

In hoeverre er voor de slotklim al spektakel zal te zien zijn, zal afhangen van het algemeen klassement. Is er een geletruidrager met een bijna onoverbrugbare voorsprong of zijn de verschillen nog klein? Toch zullen de toppers allicht wachten tot de slotklim.

In het begin van de rit liggen er wel vier colletjes van twee/derde categorie, en na 61 km volgt de Mont Revard, maar dat is een loper (15,9 km aan slechts 5,6 %) en bovendien liggen na de afdaling nog twintig vlakke kilometers te wachten voor de klim naar Semnoz.