Maandag 15 juli - Saint-Flour - Albi (217,5 km)

Het eerste deel van de Tour eindigt met een rit op deze maandag. Op dinsdag, en niet een dag vroeger, is de eerste rustdag gepland. Dat is de voorbije jaren uitzonderlijk geweest, behalve in 2008, 2012 en 2014, toen de renners ook pas op dinsdag een eerste keer konden uitrusten (twee keer wegens 14 juli op maandag).

Toen vanaf 1998 overgeschakeld werd van één naar twee rustdagen was zo'n late jour de repos wel gebruikelijk: in 1998 en 2001 lag de eerste rustdag zelfs pas op de donderdag van de tweede week, na twaalf ritten, in 2000 en 2003 op woensdag, en in 2002 op dinsdag.

Tien dagen aan een stuk koersen, zoals in deze editie, kan een impact hebben op de vermoeidheid van de renners. En hoewel deze rit tussen Saint-Flour en Albi weliswaar iets korter is dan die in 1999 - toen Salvatore Commesso na 237 kilometer triomfeerde voor drie andere Italianen - is hij met 217,5 kilometer wel de op één na langste in deze Tour. Door ASO bestempeld als 'vlak', maar dat is het flink golvende traject allerminst: ongeveer drieduizend hoogtemeters.

De rit gaat van start in de Cantal, waar de renners de wondermooie Gorges de la Truyère doorkruisen en op het vulkanisch Aubracplateau op zo'n duizend meter hoogte koersen. Onderweg ook enkele hellingen, met de laatste op 57 kilometer van de finish.

Opnieuw Sagan

Daarna, wanneer de renners het departement van de Tarn binnenrijden, gaat het in dalende lijn naar de aankomst in Albi. Als een (grote) vluchtersgroep genoeg voorsprong heeft, wordt het moeilijk voor het peloton om die nog in te halen.

Zeker als Lilian Calmejane (Team Total) mee is, want die fietst richting zijn geboortestad Albi. De Fransman begon er te koersen bij Saint-Juéry Olympique Cyclisme, is er nog lid van de wielerclub Albi Velo Sport en ook zijn supportersclub is er gevestigd.

De kans op slagen van een ontsnapping zal, op deze tiende koersdag, ervan afhangen hoe fris de helpers van de sprinters zich voelen. Of van de ploegmaats van de sprinters en die van Peter Sagan, die goede herinneringen overhoudt aan Albi. In de Tour van 2013 won hij er, op zijn 23ste, zijn enige rit van die editie.

Met dank aan zijn Cannondaleploegmaats die op enkele colletjes van tweede en derde categorie in het midden van de etappe de snelste sprinters overboord gooiden en daarna doorstoomden naar Albi, waar Sagan het teamwork afrondde door John Degenkolb te verslaan in de sprint.

Aan een andere plaats in deze etappe zal de Slovaak minder graag terugdenken, want het peloton passeert in Rodez (aan de Notre-Damekathedraal), waar de drievoudige wereldkampioen in 2015 klappen kreeg van Greg Van Avermaet in een sprint bergop.

De tik van Merckx

In tegenstelling tot 2013, toen Sagan won, of 1994, toen Bjarne Riis (Gewiss) medevluchters als Edwig Van Hooydonck en Johan Museeuw in de finale ter plekke liet en een verbazende (epo)solo opvoerde richting Albi, wordt de finishlijn nu niet getrokken aan de beroemde Sainte-Cécilekathedraal. Wel op de brede Lices Pompidou, tegenover de Place du Vigan, in het centrum van de stad.

Een verraderlijke finish: bijna drie kilometer lang rechtdoor, met een flinke knik omlaag en weer omhoog bij het ingaan van de slotkilometer. Een steil stukje tot ruim tien procent, om daarna valsplat door te gaan, waarna een lichtdalende laatste 100 meter volgt. Geen alledaagse sprint dus. Zeker niet na tien dagen, en zeker niet na 217 kilometer over golvende wegen, in een temperatuur tot 30 graden (weliswaar met rugwind).

Dan maken Peter Sagan, en ook Michael Matthews, meer kans in vergelijking met een normale massasprint. Al is de stijgende laatste duizend meter ook op het lijf van Caleb Ewan geschreven.

De vraag is hoe fris de Soudal-Lottorenner uit een zwaar weekend met veel hoogtemeters komt, net als Dylan Groenewegen, normaal de snelste sprinter.

De comeback van Merckx

48 jaar geleden, in 1971, lag de eindstreep net buiten Albi, op het autocircuit in Le Séquestre, een tijdrit gewonnen door Eddy Merckx. Hier voerde hij deel twee van zijn rehabilitatieplan uit, nadat Luis Ocaña hem in Orcières-Merlette op bijna negen minuten had gereden. Tourbaas Jacques Goddet schreef na Ocaña's triomf dat "niets meer zoals vroeger zou zijn. Merckx leeft niet langer op een andere planeet."

Hij vergiste zich schromelijk. De Belg sloeg 's anderendaags al terug in de fameuze rit op weg naar Marseille, door al van bij de start aan te vallen. En de volgende dag gaf hij de Spanjaard een nieuw tikje door hem in de tijdrit in Albi op elf seconden te rijden.

Al had dat meer kunnen zijn, want volgens een ziedende Merckx had Ocaña kunnen profiteren van het zog van de tv-motor, terwijl hij zelf bijna op een plots gestopte motor geknald was.

Zo bleef de achterstand van de Brusselaar op de BIC-renner ruim zeven minuten. Daags na de tijdrit, in de Pyreneeënrit naar Luchon, bleef hij Ocaña echter bestoken, tot die crashte in de afdaling van de col du Menté, en moest opgeven. De weg naar een derde eindzege lag open voor Merckx. Alles was toch weer zoals vroeger.