Dit interview verscheen in het jubileumnummer van 40 jaar Sport/Voetbalmagazine van 18 maart.
...

Het zit in ons collectief geheugen: Robert Van de Walle, dat is Moskou '80. In die zomer bezorgde de Oostendenaar ons het eerste olympische goud sinds Gaston Roelants en Patrick Sercu zestien jaar eerder. Van de Walle nam tussen 1976 en 1992 vijf keer deel aan de Spelen, pakte twee medailles en keerde in 2004 in Athene nog eens terug als delegatieleider, maar zelfs vóór dat alles was hij er al bij. ROBERT VAN DE WALLE: 'In 1972 was ik al op de Spelen van München. Ik was achttien, belofte en vicewereldkampioen, en werd uitgenodigd voor wat ze een 'jeugdkamp' noemden. Veelbelovende atleten konden zo al eens proeven van de sfeer. Aan de competitie namen we niet deel, maar we mochten overal komen, we konden alle deelnemers ontmoeten. Ogen dat ik trok! Toen mijn coach plots naar huis moest omwille van familiale problemen, ging ik met hem mee. De dag dat we vertrokken, vonden de gijzeling en het bloedbad plaats. Daar zijn we dus aan ontsnapt.'In hoeverre waren vier jaar later in Montréal de veiligheidsmaatregelen aangepast? VAN DE WALLE: 'Enorm. In München kon je overal rond wandelen, er waren geen controles, je moest nooit tonen wat je in je rugzak had. In Montréal was dat al veranderd, en in Moskou leefden we zo ongeveer in een kazerne.' Hoe beleefde je in 1976 je eerste Spelen als atleet? VAN DE WALLE: 'Ik had nog niet zoveel ervaring op dat niveau, en de Spelen zijn iets speciaals, anders dan een EK of WK. Je komt in een omgeving waar de beste atleten ter wereld rondlopen, met een imponerende infrastructuur, dat is grandioos. Je bent onder de indruk, dat is menselijk. Het beïnvloedt je, je bent bang dat je niet zal slagen, het remt je een beetje af. En je kan tegenstanders ontmoeten die tien jaar ouder zijn dan jij.' Voelde je, in vergelijking met een EK of een WK, ook meer de druk van de natie op je schouders? VAN DE WALLE: 'Eigenlijk niet, want het judo kreeg niet veel aandacht in die tijd: alleen tijdens de Olympische Spelen verschenen er enkele lijntjes in de krant. Pas na mijn gouden medaille in Moskou begon men er in België over te praten, ik was een pionier. Vóór Montréal was het hier niet echt professioneel. Iedere week trainden we drie keer, gedurende twee uur. Soms zeiden we: zouden we eens een keer gaan lopen? Ik wilde het over een andere boeg gooien en vertrok naar Japan. Helemaal alleen. Om een kans op slagen te hebben, moest ik alles veranderen. Ik kon niet op die manier blijven werken als ik wilde concurreren met de Oost-Duitsers, de Japanners, de Chinezen, de Sovjets. Ik begon hoogtestages te doen. En ik ontmoette een coach, Leo Ten Haaf, die een fysiologisch schema opstelde, bijna minuut per minuut. Ik was perfect geprogrammeerd voor wedstrijddagen, ik wist precies op welke tijdstippen ik moest vechten, ik stond afgesteld als een horloge.' Wat vond je anno 1980 van de sfeer in de Sovjet-Unie? VAN DE WALLE: 'Zeer streng, maar ik schrok daar niet van omdat ik regelmatig toernooien deed in het Oostblok. Ik was gewend aan een zekere discipline. Wanneer je naar een communistisch land gaat, moet je leven als een communist. In Moskou hadden we alles, maar geen extravagante luxe. Ik hield van die soberheid, dat had ik geleerd in Japan. Wanneer je leven hard is, word je zelf ook harder. Als je leven gemakkelijk is, is het moeilijk om hard te zijn.' Kreeg je ook een harde opvoeding? VAN DE WALLE: 'Op mijn twaalfde verloor ik mijn moeder. Thuis was er één zin die ik nooit hoorde: Dat zal niet gaan. Mijn vader was een zelfstandige elektricien, als jong gastje ging ik met hem mee werken. Het was de opvoeding van de flandrien, destijds. Jongens weenden niet. At je je bord niet leeg, dan kreeg je het 's anderendaags weer voor je neus. En af en toe een flinke oorvijg. Maar het was goed. Mijn vader wilde graag dat ik zijn bedrijf verder zette, zelf wilde ik mijn instinct volgen. Ik verliet het huis en vertrok naar Wallonië. Ik sloot me aan bij een judoclub in Namen en woonde bij een familie uit Charleroi met zeven zonen. Ik was hun achtste kind. Om mijn stages in Japan te betalen, kuiste ik hoogovens bij Cockerill. Dat heb ik gedurende zes maanden gedaan en ik begreep al snel dat dit een harder leven was dan judo. Maar je moest van iets leven, hé. 'Met mijn spaarcentjes vertrok ik naar Japan, gaf het daar allemaal uit, om opnieuw geld opzij te zetten en weer te vertrekken. In het jaar voor de Spelen van Moskou ontving ik van het BOIC, de federatie en de Franse gemeenschap (ADEPS) in totaal tussen de 20.000 en 25.000 frank ( 500 à 625 euro, nvdr.). Voor die tijd kreeg ik helemaal niets. Mijn gouden medaille leverde me 50.000 frank op ( 1250 euro, nvdr.) en daar heb ik een deel van mijn schulden mee afbetaald. Ineens was ik een BV, maar financieel heeft het mijn leven helemaal niet veranderd. Maar goed, ik had mijn droom verwezenlijkt én ik kon mijn grote rivaal, de Georgiër Tengiz Khubuluri, verslaan in de finale. In mijn gewichtsklasse was hij de absolute referentie. Dat ik tegen hem kon winnen, maakte de voldoening eens zo groot.' Na Moskou stopte je met judo. VAN DE WALLE: 'Ik had een beetje het gevoel dat ik aan het overleven was, terwijl ik wilde léven. Dus moest ik geld verdienen. Bovendien zeiden ze me dat je na één Olympische titel je ei gelegd had, en dat het moeilijk zou zijn om het twee keer na elkaar te doen. Dus stopte ik. Ik opende een fitnesszaak in Brussel, dat was toen de grote mode: Jane Fonda, aerobics en dat soort dingen. Het liep goed, maar het was heel commercieel. Het ging over meisjes, spieren, borsten, platte buiken, billen, cellulitis... Ik verdiende goed mijn kost, maar dat zag ik mezelf toch niet mijn hele leven doen, het was eigenlijk mijn ding niet. Ik keek naar judokampioenschappen, ik zag de jongens die wonnen, en ik zei tegen mezelf: Die daar, die zou ik verslagen hebben. Het vuur brandde nog. Weet je, ik ben 65 jaar, maar als ik de fysieke capaciteiten nog had, zou ik er opnieuw aan beginnen, want het blijft kriebelen. Na anderhalf jaar in de wereld van de fitness nam ik het judo weer op.' Hoe zag je dagelijkse leven eruit in Japan? VAN DE WALLE: 'Al vanaf de eerste keer wilde ik er terugkeren. Ik had het geluk een Japanse priester te ontmoeten die naar België gekomen was. Hij schreef een introductiebrief, waardoor ik toegang kreeg tot universiteiten en de politie. Zonder die priester zou dat onmogelijk geweest zijn. Ik moest me voorstellen, deed vijftig buigingen voor een leermeester. Vervolgens trok ik mijn plan met de middelen die er waren. Honger heb ik nooit gehad, maar er waren momenten dat ik maanden aan een stuk rijst at. Met een beetje vis op de goede dagen. 'Ik was daar met een Zwitserse judoka, en op een dag zei hij me: 'Kom mee met mij, we gaan eten bij de Tenrikyo.' Dat is een sekte die zich in Tenri gevestigd heeft; de Japanners gaan naar Tenri zoals wij Europeanen naar Lourdes gaan. De mensen gaan daar een jaar bidden, ze werken gratis voor de sekte en in ruil krijgen ze eten. We betraden een immense zaal met ons bord, en we kregen rijst met curry. Mijn Zwitserse vriend - klein, en zwart haar - passeerde zonder al te veel op te vallen, maar ik - een grote blonde - werd natuurlijk snel gespot. Op een dag kwam een priester ons opzoeken: 'Jullie zijn geen Tenrikyo, dus jullie kunnen niet naar het restaurant komen.' We antwoordden hem dat we ons wilden bekeren. Om te eten, wat kon het ons schelen. We werden naar een kamer geleid waar ze een bandje speelden met teksten, drie uur aan een stuk. Wij sliepen intussen. We trainden met judoka's van de sekte en logeerden in een kamer met kartonnen deuren. Ineens vertelden ze ons dat we Tenrikyo waren geworden. Maar we moesten werken zoals zij: ze gaven ons een jasje en enorme kniebeschermers, we moesten op handen en voeten gaan zitten en de vloeren van de tempel boenen. Na een keer of twee hebben we beslist dat ze hun rijst met curry mochten houden.' Waarom koos je voor Japan, en niet voor een judoland waar het cultuurverschil minder groot was? VAN DE WALLE: 'Het was dáár dat je moest zijn, veel buitenlandse judoka's gingen er trainen. Op mijn hele carrière ben ik in totaal vier jaar in Japan geweest. Daar stonden driehonderd judoka's op de mat, terwijl je hier met moeite tien tegenstanders vond. Bovendien wilden ze hier niet met mij vechten omdat ik te sterk was: ik zou hen gebroken hebben. In Japan kon ik kiezen: een kleine, een grote, een rechtshandige, een linkshandige... Ik trainde ook tegen de judoka's van de politie van Kyoto, dat waren de besten van Japan, ze namen deel aan grote wedstrijden. Als er manifestaties waren, gooiden ze die judoka's in de strijd, met matrakken.' Werden de Europeanen goed ontvangen in Japan? Je was immers een potentiële concurrent voor hun kampioenen. VAN DE WALLE: 'In het begin was dat geen probleem. Ze waren toch sterker, ze maakten ons af. Op den duur konden wij hén op hun donder geven, dat was onze wraak. Los daarvan waren ze wel relatief racistisch, zoals eilandbewoners dat soms zijn. Het dagelijkse leven was niet altijd aangenaam. We lachten niet. We vielen de hele tijd, we blesseerden ons vaak, we aten slecht, we sliepen op harde matten, we hadden geen echte bedden. Dat word je heel snel beu. Wanneer ik nu terugkeer als toerist, is dat helemaal anders, ik vind het een heel fijn land. Japan is aangenaam, proper, gestructureerd. Een fabuleus land.' Hoe kon je daar destijds communiceren? VAN DE WALLE: 'Als ik alleen vertrok, gebeurde het wel eens dat ik verschillende maanden met niemand sprak. Dat stoorde me niet, ik was daar om mijn ding te doen. Je trekt je plan. Je vogelt snel uit wanneer de trainingen beginnen, je zoekt een hok om te slapen, je wandelt rond op je eentje, je werkt niemand op de zenuwen. Je bent ook vermoeid. Om zes uur sta je op om te gaan lopen, je eet snel iets, je slaapt twee uur, je traint twee uur, je eet, je slaapt van drie tot zeven, daarna volgt nog een training en 's avonds verzorg je je. Sommige stages draaiden sterk om het mentale aspect. In de zomer sloten ze de zaal helemaal af, met de brandende zon op dat staalplaten dak werd het een oven. In de winter hielden ze de eerste training om vijf uur 's ochtends. Vaak vroor het en dan openden ze kleine luiken in het dak, zodat het ijs bijna op de mat stond. Er was geen verwarming, geen warm water om ons te wassen. Alles om ons harder te maken. Het was niet verplicht, maar als je die stage deed, begonnen ze je te accepteren. Als je vanuit die situatie naar Rusland trok, was het daar grote luxe.' Ik las ergens dat de Georgiër die je in de finale in Moskou klopte je een pluchen dier aanbood dat hij in het Olympisch dorp gekocht had. VAN DE WALLE: 'Weet je dat mijn sterkste tegenstanders mijn beste vrienden zijn geworden? Khubuluri, de Fransman Jean-Luc Rougé, de Duitser Dietmar Lorenz, de Engelsman Angelo Parisi, de Oostenrijker Peter Seisenbacher. Als ik naar het toernooi van Parijs ga, is dat in de eerste plaats om mijn vrienden te zien. We hebben een hechte vriendschap. Khubuluri belt me altijd met Nieuwjaar. Hij nodigde me eens uit in Tbilisi, zwaar dat dat was! Ze aten van 's morgens tot 's avonds en ze dronken vodka uit limonadeglazen. Ik mag morgen eender welk probleem hebben, ik doe twee telefoontjes naar die jongens uit het judo en het komt in orde. De vriendschappen die ik aan het judo heb overgehouden, doen me veel meer dan de medailles. Het is echt een familie. Enkele weken geleden heb ik hier nog judoka's van de Indische ploeg ontvangen die geen geld hadden. Ze hebben hier geslapen en gegeten, ik heb hen enkele cursussen gegeven.' Kon je je na je afscheid na Moskou voorstellen dat je nog drie olympiades zou meemaken? VAN DE WALLE: 'Toen ik me voorbereidde voor Los Angeles interesseerde de overwinning me uiteraard, maar ik had niet meer diezelfde droom als voor Moskou. Ik wou dezelfde voorbereiding doen, maar als olympisch kampioen lukt het je niet om er op dezelfde manier naartoe te leven als een gast die ervan droomt om olympisch kampioen te worden. De spieren zijn dezelfde, maar je hoofd is anders. Op de Spelen zelf merkte ik dat men anders naar me keek. Ik was niet veranderd, maar de blik van anderen wel. Je bent de titelhouder, de favoriet. Ik ging eruit na een arbitragefout. Dat kan in eender welk gevecht voorkomen, maar als je vier jaar gewerkt hebt om op je absolute top op de Spelen te arriveren, dan doet dat heel veel pijn. Terug thuis verviel ik in een soort depressie. Ik had niets meer, geen medaille, geen deelnames aan toernooien. Dat was een moeilijk moment in mijn leven, maar ik kwam er sterker uit. Een overwinning is een fantastische ervaring, maar mijn nederlagen hebben me sterker gemaakt dan mijn zeges. 'Na Los Angeles besliste ik om opnieuw te werken als een beginneling. Ik stelde me in de plaats van iemand die nog alles te bewijzen heeft. Ik trainde veel meer, ik elimineerde alles wat me zou kunnen afleiden, ik leefde in een isolement. Ik had kunnen stoppen, zoals na Moskou, maar ik zei tegen mezelf: 'Neen, ik vertrek niet op die manier, ik móét naar Seoul.' Daar pakte ik een bronzen medaille. Ik was sterk, technisch sterker dan in Moskou, en mentaal was ik niet uit het lood te slaan. Ik versloeg de sterkste judoka's, maar liet me uitschakelen door een technische fout. Zo'n nederlaag moet je kunnen accepteren. Zonder dat kan je niet winnen, anders kom je onder druk te staan, dan blokkeer je.' Je nam ook nog deel aan de Spelen van Barcelona, op je 38ste. Was dat een vergissing? Het toernooi te veel? VAN DE WALLE: 'Ik had mijn zaak in Hastière, waar we seminaries gaven, al opgericht en ontmoette mensen die me zeiden dat het niet mogelijk was om op mijn leeftijd naar de Spelen gaan. Hoe meer mensen dat tegen me zeiden, hoe meer vastberaden ik werd om te bewijzen dat ik het kon. Ik was destijds een beetje speciaal... nog altijd eigenlijk. Maar als je doet zoals iedereen, dan krijg je ook resultaten zoals iedereen. Vandaag vragen velen zich af of Kim Clijsters nog op hoog niveau kan spelen. Ik vind het geweldig wat ze doet. In Barcelona ben ik nog zevende geëindigd, ik werd niet belachelijk gemaakt. Natuurlijk was ik ouder geworden. Ik had af en toe wat hartkloppingen, ik leed aan rugpijn. Toch ben ik tevreden dat ik het gedaan heb, want zo kon ik helemaal zelf beslissen wanneer ik definitief wou stoppen. Het was niet mijn hoofd dat ermee ophield, het was mijn lichaam. Daar ben ik blij om.' Hoe voelde het om je kimono voorgoed aan de haak te hangen? VAN DE WALLE: 'Zoiets blijft moeilijk, maar ik heb een buitengewone carrière gehad. En judo heeft zin gegeven aan mijn leven.'