De bijkluswet van Maggie De Block, toenmalig Minister van Sociale Zaken, maakt deel uit van het zomerakkoord in 2018 van de federale regering. Zelfstandigen, werknemers, ambtenaren en gepensioneerden kunnen jaarlijks tot €6000, of €500 per maand, bijverdienen met klusjes voor medeburgers of taken in het verenigingsleven, zonder op die vergoeding sociale bijdragen of belastingen te betalen. Diverse organisaties vonden dat zoiets tot oneerlijke concurrentie met reguliere ondernemers leidde en trokken naar het Grondwettel...

De bijkluswet van Maggie De Block, toenmalig Minister van Sociale Zaken, maakt deel uit van het zomerakkoord in 2018 van de federale regering. Zelfstandigen, werknemers, ambtenaren en gepensioneerden kunnen jaarlijks tot €6000, of €500 per maand, bijverdienen met klusjes voor medeburgers of taken in het verenigingsleven, zonder op die vergoeding sociale bijdragen of belastingen te betalen. Diverse organisaties vonden dat zoiets tot oneerlijke concurrentie met reguliere ondernemers leidde en trokken naar het Grondwettelijk Hof, dat op 23 april besliste dat de bijkluswet het gelijkheidsbeginsel schond. De regeling bleef bestaan tot het einde van 2020 en wordt vervangen door een nieuwe wet die zware gevolgen heeft voor de sportsector. De georganiseerde sport in Vlaanderen omvat ongeveer 1,5 miljoen leden, verspreid over 18.000 clubs. De sector wordt aangestuurd door een 400-tal professionele medewerkers, maar het overgrote deel van de clubs wordt geleid door vrijwilligers. De nieuwe wet Vandenbroucke - na amper overleg met de sector tot stand gekomen - is om meerdere redenen niet toereikend of onaanvaardbaar: De 20% fiscale en sociale heffingen op de vergoeding als verenigingswerker, ook van toepassing op de terugbetaling van reële kosten en verplaatsingskosten. De trainer, die gaat tanken voor 100 euro en deze kosten terugbetaald krijgt door de club, betaalt hierop 10 euro belastingen en de club 10 procent solidariteitsbijdragen. Het verenigingswerk wordt maximaal tot 150 uren per kwartaal ingeperkt. De kans is groot dat sommige verenigingswerkers die drempel moeten overschrijden. Het verenigingswerk moet via een vast of variabel wekelijks of maandelijks werkrooster worden uitgevoerd. Een vast werkrooster is absurd, want bij verlengingen van een match kan van het werkrooster niet worden afgeweken (de scheidsrechter moet in ieder geval stoppen). Een variabel werkrooster impliceert dat het rooster zelf kan variëren, maar dat men op voorhand vastlegt hoeveel uren er gepresteerd moet worden, bijvoorbeeld op een week, in een kwartaal. Dat lukt niet, want niemand weet vooraf exact hoe lang een sportwedstrijd zal duren. In deze onzekere coronatijden waarin het volledige reguliere maatschappelijke leven tot stilstand is gekomen, zal de rol van de sport van uitzonderlijk belang zijn bij de heropstart. Naast bewegen en fysiek actief zijn, zijn minstens even belangrijk de nood aan sociaal contact. Het is dan ook zeer jammer dat net nu een van de belangrijkste beleidsmaatregelen waardoor de clubwerking op een positieve wijze werd gestimuleerd, door het Grondwettelijk Hof werd vernietigd.'