De Vlaming is overwegend positief over de impact van topsport op ons eigen sport- en beweeggedrag. De overgrote meerderheid (79 procent) meent dat goede topsportprestaties een bron van inspiratie zijn om jongeren aan het sporten te krijgen. Zo'n 90 procent meent dat paralympiërs een inspiratiebron zijn voor jongeren met een beperking. En bijna de helft van de Vlamingen (44 procent) is fan van een topsporter.

'De Vlaming bevestigt wat iedereen denkt: dat topsport rolmodellen voortbrengt', zegt professor sportbeleid Veerle De Bosscher (VUB), die in samenwerking met Sport Vlaanderen een breed bevolkingsonderzoek leidt naar de maatschappelijke waarde van topsport. 'Toch is dat wetenschappelijk niet evident. Toen de Nederlandse volleybalploeg in 1996 in Atlanta goud haalde, daalde het ledenaantal van volleyclubs in Nederland.'

Datzelfde jaar haalde Frédérik Deburghgraeve goud op de 100 meter schoolslag, maar stagneerden de ledentallen van Vlaamse zwemclubs. 'Topprestaties door topsporters leiden niet noodzakelijk tot meer instroom in hun sporttak.'

Mede-vorser Jens De Rycke benadrukt dat slechts een deel van de bevolking beïnvloedbaar is. 'Het gaat vooral om jongeren - en in de eerste plaats jongens - die een topsporter als rolmodel noemen. Al maken de meisjes een inhaalbeweging. De beïnvloeding is sterk afhankelijk van de sporttak en het beleid errond. Na de Olympische Spelen in Rio zagen we een grote instroom in het hockey, maar dat was toen nog een kleine sport.'

De Vlaming is overwegend positief over de impact van topsport op ons eigen sport- en beweeggedrag. De overgrote meerderheid (79 procent) meent dat goede topsportprestaties een bron van inspiratie zijn om jongeren aan het sporten te krijgen. Zo'n 90 procent meent dat paralympiërs een inspiratiebron zijn voor jongeren met een beperking. En bijna de helft van de Vlamingen (44 procent) is fan van een topsporter. 'De Vlaming bevestigt wat iedereen denkt: dat topsport rolmodellen voortbrengt', zegt professor sportbeleid Veerle De Bosscher (VUB), die in samenwerking met Sport Vlaanderen een breed bevolkingsonderzoek leidt naar de maatschappelijke waarde van topsport. 'Toch is dat wetenschappelijk niet evident. Toen de Nederlandse volleybalploeg in 1996 in Atlanta goud haalde, daalde het ledenaantal van volleyclubs in Nederland.' Datzelfde jaar haalde Frédérik Deburghgraeve goud op de 100 meter schoolslag, maar stagneerden de ledentallen van Vlaamse zwemclubs. 'Topprestaties door topsporters leiden niet noodzakelijk tot meer instroom in hun sporttak.' Mede-vorser Jens De Rycke benadrukt dat slechts een deel van de bevolking beïnvloedbaar is. 'Het gaat vooral om jongeren - en in de eerste plaats jongens - die een topsporter als rolmodel noemen. Al maken de meisjes een inhaalbeweging. De beïnvloeding is sterk afhankelijk van de sporttak en het beleid errond. Na de Olympische Spelen in Rio zagen we een grote instroom in het hockey, maar dat was toen nog een kleine sport.'