Filip Joos: ‘Eigenlijk kom ik niet zo graag op televisie’

© koen bauters
Matthias Stockmans
Matthias Stockmans Redacteur van Sport/Voetbalmagazine en Knack Focus.

Lanceer Filip Joos in de diepte en hij valt niet af te stoppen. Tegenstanders hebben het er moeilijk mee, liefhebbers smullen ervan. Wij genoten van twee uur passioneel geraas over onder meer Antonio Conte, Radja Nainggolan, Dries Mertens, José Mourinho en… zichzelf. ‘Ik zal nooit een vrijblijvende commentator zijn.’

Vanavond in de Friends Arena te Stockholm zit Filip Joos (44) alweer met de microfoon aan zijn lippen om de finale van de Europa League tussen Ajax en Manchester United te becommentariëren. Ondanks het feit dat het ongeveer zijn 150e wedstrijd van het seizoen zal zijn, kijkt hij er enorm naar uit. Dat koppige enthousiasme kenmerkt zijn liefde voor het spelletje, die ook tot uiting komt in zijn uitstekende columns voor De Standaard en vroeger De Morgen. Of aan de tafel bij Extra Time, al weet hij dat het vooral daar is dat zijn ‘anti’-bataljons de munitie krijgen om te schieten.

Filip Joos: ‘Als ik ergens zit, smijt ik mij. In Extra Time kan ik fel tekeergaan, besef ik, maar dat is wat dat programma nodig heeft. Het is een discussieprogramma, daar moet vuur inzitten. Commentatoren zijn bij voorkeur gezichtsloos, ik zou dat ook liever zijn. Door mijn aanwezigheid in Extra Time is dat onmogelijk geworden. Met dat spanningsveld zit ik en ik heb dat bij de VRT al meermaals aangekaart.

Eigenlijk kom ik niet zo graag op televisie, al heb ik ondertussen vrede met het programma en mijn rol erin. Als commentator ben ik iemand die vragen opwerpt en soms ook antwoorden geeft. Dat vergt iets meer van een kijker – die het trouwens absoluut niet altijd eens moet zijn met mij. Ik wil meer zijn dan wat Duitse commentatoren doorgaans doen: af en toe een naam noemen en ‘Das wahre ein fantastisches Tor‘ roepen als er gescoord wordt.’

Mede daardoor ben je een polariserend figuur. Je krijgt soms lelijke dingen naar je hoofd geslingerd als je naar het voetbal gaat. Denk je soms: is het mij dit allemaal waard?

Joos: ‘Ik ben er zeker van dat als je op internet de naam Filip Joos intypt je de grofste beledigingen aantreft. Net zo goed wordt er op straat naar me geschreeuwd: ‘De beste commentator van de wereld!’, dat is ook overdreven. Voetbal polariseert en ik ben nu eenmaal een van de stemmen van dat voetbal. Als ik België-Italië doe op het EK, zal ik zeggen wat ik zie – Rode Duivels die met open ogen in de val lopen – ook al weet ik dat er een miljoen gelegenheidssupporters voor de buis zitten die ’s ochtends vlaggen aan huis en auto hebben opgehangen. Ik zal nooit een vrijblijvende commentator zijn. Ik probeer te interpreteren, en daarmee neem ik risico’s want niemand is feilloos. Ik weet ook dat genoeg mensen uit het voetbalwereldje mij wél waarderen.

Als ik een offside mis in mijn commentaar, dan slaap ik die nacht niet. Ik was graag wat minder fanatiek geweest.

‘Je moet ten andere voorzichtig zijn met de term ‘het publiek’. Een voorbeeld: na Lyon-Ajax kreeg ik van een Nederlandse collega de opmerking dat ik gescoord had bij de Nederlandse tv-kijkers, maar ik wist direct: laat mij drie keer Ajax-Feyenoord doen en dan willen ze mij weg. Ik ben ook te veel liefhebber om nu enthousiast te kunnen doen over de titel van Anderlecht, en eigenlijk hoor je dat wel te doen, want ze verdienen het. Toch zal ik blijven zeggen dat het niet de mooiste titel is, goed beseffende dat mij dat op boze tweets komt te staan.’

Op Club Brugge ben je persona non grata.

Joos: ‘Bij een deel van de supporters. Een veel groter deel knikt me vriendelijk toe als ik de tribune op wandel. Alleen is dat eerste deel vocaal wat sterker. (lacht) Het gaat altijd over hetzelfde: ‘Jij bent niet objectief.’ Op Club vinden ze dat ik voor Anderlecht ben, maar op Anderlecht vinden ze dat ik voor Club ben. Dat zegt toch genoeg? Wat ik wel heb: dat je in de loop van een seizoen sympathie kweekt voor een ploeg die goed voetbal brengt en die dus mijn job aangenamer maakt. Zoals afgelopen seizoen met Genk. Dat kan elk jaar anders zijn. Twee jaar geleden AA Gent. Of verder terug het Standard met Axel Witsel, Steven Defour, Marouane Fellaini en MilanJovanovic. Het was moeilijk daar geen fan van te zijn. Nu heb ik op Sclessin bij wijze van spreken een paraplu nodig als ik daar kom. Ik snap dat. Ik ergerde mij vroeger ook soms aan bepaalde commentatoren omdat ik het niet eens was.’

Weet je soms al tijdens Extra Time: hier ga ik problemen mee krijgen?

Joos: ‘Dat weet je, ja. Het is een van de redenen waarom ik geen Facebook of Twitteraccount heb. Ik zie er het nut ook niet van in. Ik lees zelden sportkranten, niet omdat ik het niveau niet goed vind – integendeel, wij hebben in België sterke sportjournalisten – maar omdat ik onbevangen wil zijn in mijn commentaar of analyses. Het moet uit mij komen en ik wil niet meegaan in iets dat anderen al opviel. Alleen moet ik oppassen dat ik me niet vergaloppeer in die drang om origineel te willen zijn, daar leer ik nog altijd in bij.’

Je wil vaak je gelijk halen. Daarmee win je geen prijs van de sympathie natuurlijk.

Joos: ‘Dat is waar. Maar eerlijk: ik heb vaak lang en goed nagedacht over de stellingen die ik poneer. Ik ben daar wel gematigder in geworden, vorig jaar was dat erger. Maar zo’n steekspel met Wesley Sonck, die ook graag zijn gelijk haalt, dat is toch alleen maar leuk? Ik kan ook serieus doorgaan op het waarom van scheidsrechterlijke beslissingen, omdat ik medelijden met hen heb: scheidsrechters worden soms zo in gereglementeerde vakjes gestopt dat het voor hen steeds lastiger wordt. Daar denk ik dan over na… soms te veel.’

Als ik een offside mis in mijn commentaar, dan slaap ik die nacht niet. Ik was graag wat minder fanatiek geweest.

Heeft die koppigheid van je te maken met competitiviteit?

Joos: ‘Ik ben altijd een winnaar geweest, ja. Ook op een voetbalveld.’

Denderhoutem – Lyra

Ah, je reputatie als voetballer, daar valt ook wat over te vertellen…

Joos: ‘Ik heb veel kaarten gekregen, maar ik heb nooit één zware tackle gedaan. Ik was wel ‘nen ambetanterik‘. Ik wilde altijd maar winnen, winnen, winnen. Als er iets in mijn leven is waar ik spijt van heb, dan is het dat. Ik was maar een derdeklasser en ik heb zo veel maandagen, dinsdagen en woensdagen vergooid omdat ik met een rot gevoel rondliep na een verloren match. Ik kreeg dat niet uit mijn hoofd. Ik was zeer kritisch voor mezelf. Nu nog: als ik een offside mis in mijn commentaar, dan slaap ik die nacht niet. Ik was graag wat minder fanatiek geweest.’

Waarom was je zo fanatiek in de sport, droomde je van het profvoetballersbestaan?

Joos: ‘Neen, daarvoor was ik niet groot, sterk en snel genoeg. Dan ben ik liever een goeie in derde klasse dan een bankzitter in tweede klasse.’

Een groot ego?

Joos: ‘Is dat ego? Ik had een enorme verbondenheid met mijn ploegmaats, hoewel ik als een pater leefde. Ik heb nog steeds een goed contact met die kameraden van toen en sommige matchen zitten voor eeuwig in mijn geheugen. Als ik ooit Alzheimer krijg, ben ik er zeker van dat de match Denderhoutem- Lyra een van de laatste dingen zal zijn die ik me kan herinneren. Echt waar. Het wedstrijdverloop was zo onwaarschijnlijk en ondanks alles winnen we met 3-4. Ik zie mezelf als tachtigjarige al ergens in een rusthuis zitten, met nog één herinnering waarover ik spreek: Denderhoutem-Lyra.’ (lacht)

Speel je nog voetbal?

Joos: ‘Ik ben moeten stoppen: een kraakbeenprobleem in mijn knie. Tot vorig jaar speelde ik nog zaalvoetbal in een vriendenploegje, met onder meer Marc Schaessens. Ik mis het eigenlijk niet zo. Weet je, in feite had ik vroeger kinderen moeten hebben, dan zou dat fanatisme in de sport er rapper uitgegaan zijn. Maar misschien was ik dan ook een mindere voetballer, want dat ‘willen winnen’ hoort er natuurlijk bij. Zonder de excessen van een horrortackle. Dat je zoiets doet, kan er bij mij niet in, daarom zal ik er ook al heftig op reageren in mijn commentaren. Wanneer een speler rood krijgt voor onbetamelijk gedrag zal ik in een discussie daarentegen wat rustiger zijn. (lachje) Zoals die middelvinger van Teodorczyk: dat hoort niet, maar ik kan niet ontkennen dat ik in een zwak moment ook eens een bras d’honneur heb gedaan naar iemand. Achteraf denk ik dan ook meteen: allee Filip, komaan jong. Er is dus zeker zelfreflectie.’

Het is een boeiend thema: moet een profvoetballer boven elke provocatie staan? Dan vraag je eigenlijk het onmenselijke.

Joos: ‘Ik zou iedereen aanraden om eens in zo een vijandig stadion op het veld te gaan staan: je schrikt je kapot. Wij beseffen soms niet wat die spelers naar hun hoofd krijgen. Tegelijk: zonder die emotie zou het misschien ook geen echte Club Brugge-Anderlecht meer zijn. In die zin zijn we hypocriet, want als er iets ergs gebeurt, staan we wel op de barricades. Er is meer sfeer bij een Club- Anderlecht dan op Man United-Tottenham. Elke Belgische ploeg die in Engeland is gaan voetballen, kreeg achteraf lof voor de enthousiaste supporters. Gent op Tottenham, Club en Anderlecht op Manchester United. De Belgen brengen sfeer.’

Liefde voor taal

Kan je jezelf omschrijven in drie woorden?

Joos: ‘Koppig. Loyaal. (denkt na) En creatief. Ik speel graag met taal bijvoorbeeld.’

Je omschreef jezelf vroeger ook eens als rebels.

Joos: ‘Ik kan inderdaad tegendraads zijn. Vooral met gezag heb ik het moeilijk.’

Ik wil geen veertiger zijn die zich constant loopt te ergeren aan de houding van twintigers. Als moderne coach moet je daarmee kunnen omgaan, als journalist ook.

Je leest veel en graag.

Joos: ‘Ja, mijn boekenkast zit in mijn hoofd en dat helpt om mijn woorden te vinden. De columns die ik schrijf beschouw ik als mijn lust en leven. Als student schreef ik al heel graag opstellen. Dat is wat ik het langst zal doen, denk ik, langer dan voor televisie werken.’

Die liefde voor taal heb je van thuis meegekregen?

Joos: ‘Absoluut. Mijn moeder was lerares Nederlands. Een koppige. (grijnst) Ze hield zich niet altijd aan het leerplan en gebruikte Tien voor Taal in haar lessen. Met dat soort programma’s zijn mijn zus en ik opgegroeid. Mijn zus (Radio 1-presentatrice Ruth Joos,nvdr) heeft die taalgevoeligheid exponentieel meegekregen, ze heeft ook een mooiere stem dan ik.’

Je hebt twee adoptiekinderen. Waarom heb je daarvoor gekozen?

Joos: ‘Omdat het misschien beter was dat mijn genen niet werden doorgegeven. (lacht) Ik kan dat eigenlijk niet goed uitleggen. Ik heb nu een zoon en een dochter, allebei uit Ethiopië. Er lopen twee kindjes met een donkere huidskleur in huis, maar voor mij is dat de normaalste zaak van de wereld. Soms levert het wel grappige situaties op. Wanneer we in de supermarkt lopen en zij met hun tweetjes voorop zijn, zie je mensen meteen denken: oei, waar zijn die ouders?’ (lacht)

Voel je dankzij hen een speciale connectie met het Afrikaanse continent?

Joos: ‘Het zijn allebei Belgjes ondertussen, hé. Ik heb racisme nooit begrepen, ook al voor ik hen in mijn leven had. Gelukkig heb ik in mijn omgeving nooit enige negatieve reacties ontwaard. Ik ben onwaarschijnlijk blij dat Jude en Zola in ons leven beland zijn. Al is het natuurlijk heel erg duidelijk dat ze een band hebben met Ethiopië, dat beseffen ze zelf goed genoeg. Je doorloopt een heel traject vooraleer je een adoptiekind toevertrouwd krijgt, wij hebben heel veel aan die cursussen gehad. Het bereidt je voor op hoe je daarmee moet omgaan.’

Spelen je kinderen voetbal?

Joos: ‘Neen. Mijn zoon speelt basketbal, mijn dochter is nog te jong. Ik basket zelf graag: tien minuutjes naar de ring gooien en het hoofd leegmaken, dat is instant bevrediging. Ik volg de NBA: zodra het voetbalseizoen erop zit, neem ik de nachtelijke wedstrijden in de play-offs op. Michael Jordan is voor mij dé sportman aller tijden, geen voetballer. Esthetisch: hoe hij naar die ring zweefde. En zijn levensverhaal maakte het plaatje compleet.’

Spits Mertens

Ik was liever een goeie voetballer in derde dan een bankzitter in tweede klasse.

Het Italiaanse voetbal, dat je na aan het hart ligt, viert hoogdagen. Vooral de trainers dan. Ancelotti kampioen van Duitsland, Conte in Engeland, Allegri met Juventus. Wat hebben zij meer dan andere trainers?

Joos: ‘Het zijn verschillende types dus spreken van een bepaalde school gaat te ver, maar het is ook geen toeval. Carlo Ancelotti is de gezellige opa. Ik geloof echt dat dat een fantastische mens is. Hij heeft ooit een relatie gehad met een Roemeense. Een heel doorsneemeisje, maar hij was daar helemaal gek van. Dat zegt iets over hem. Er is – op Ribéry na – geen enkele speler die met Ancelotti problemen heeft, dat is toch straf in zo een wereld vol ego’s. Uiteraard heeft Guardiola meer tactische bagage, dat is voor iedereen duidelijk, maar je kunt niet zeggen dat Bayern slechter speelde afgelopen seizoen. Enkel in de CL-matchen tegen Real gingen ze de mist in.

Antonio Conte is dankzij de Premier League opengebloeid. In Italië liep hij gebukt onder zijn verleden: als speler genoemd in doping- en omkoopzaken, een zware schorsing gekregen, trainer van het gehate Juve… Dat kleefde allemaal aan hem. Tot het EK en daarna zijn overstap naar Chelsea. In Italië was hij een beetje een kille mens, maar door zijn gebrekkige Engels moest hij in Londen op persconferenties de dialoog aangaan met journalisten wanneer hij niet op een woord kon komen. Daardoor lachte hij ook meer. Ik vermoed dat het ook bij zijn spelers zo werkt. Iedereen helpt hem. Chelsea is nu veel minder gehaat dan onder Mourinho.

Ik beschouw Guardiola nog altijd als het grootste tactische brein – bij hem zie je constant nieuwe dingen – maar Conte is met zijn driemansdefensie toch ook een trendsetter in Engeland. En wat hij met Italië op het EK verwezenlijkte was fenomenaal. Straffer dan wat hij met Chelsea doet, want daar heeft hij Eden Hazard die soms met een flits een match beslist. Bij Italië hing alles af van de spelpatronen.

‘En Massimiliano Allegri mag je ook niet onderschatten, want die krijgt veel kritiek, maar hij bereikte toch al tweemaal de CL- finale met Juve. En als je Pogba nu bij Man U bezig ziet, moet je eigenlijk vaststellen dat Allegri meer uit Pogba haalde dan Mourinho.’

En dan vergeten we Maurizio Sarri nog. Geen prijs, maar met Napoli brengt hij misschien wel het mooiste voetbal van Europa?

Joos: ‘Zeker van Italië. En top drie van Europa. Barcelona is altijd mooi en het Ajax van de laatste maanden mag ook gezien worden. Maar Napoli: dat is elke match gáán! De wendbare aanvallers, met Mertens, Insigne en Calléjon, wisselen voortdurend hun looplijnen. ‘Al taglio’ noemen ze dat in Italië, wat zoveel betekent als ‘snijden’, zoals in het snijden van een pizza. En dan Marek Hamsik op het middenveld, een van de meest onderschatte spelers ter wereld. Ik herinner mij Wales-Slowakije uit de groepsfase van het EK vorig jaar. Wales wint met 2-1, maar in het begin van de match verovert Hamsik de bal van Gareth Bale, doet dan een ongelooflijke actie en ziet zijn poging net van de lijn gekeerd. Als die bal binnengaat, spreken we achteraf misschien van het toernooi van Hamsik in plaats van Bale.’

Puur sportief begrijp ik wel dat Roberto Martínez niet goed weet wat hij met Nainggolan moet aanvangen

Dries Mertens rondt de kaap van 25 goals in de Serie A. Kan hij nog eens zo een seizoen herhalen?

Joos: ‘Mertens’ mindset is veranderd. Alsof hij ineens ontdekte hoe leuk het is om te scoren – hoewel hij vroeger ook al de goal wist staan – maar onder Sarri is hij een roofvogel in de zestien geworden. Volgens mij kan Napoli Italiaans kampioen worden mét Mertens als diepe spits. Hij is geen valse negen zoals Messi even was, hij is een negen. Een rare, maar een echte.’

Leven na Totti

Komend weekend speelt Francesco Totti zijn laatste wedstrijd voor AS Roma. Ga je, als zelfverklaard Tottifan, kijken?

Joos: ‘Ik heb een ticket gekocht voor zijn afscheidswedstrijd tegen Genoa. Daarvoor heb ik drie uur lang in mijn hotelkamer in Lyon proberen in te loggen op de site van Roma. Het zal speciaal zijn omdat het ook het afsluiten van een persoonlijk hoofdstuk betekent: 25 jaar ben ik vergroeid met Totti. Goed wetende dat hij ook zijn mindere momenten had en dat als je echt prijzen wilt winnen, je beter af bent met Messi. Maar bepaalde aspecten van zijn spel demonstreerden superieure voetbalintelligentie. En hij kon met zichzelf lachen. Er is zijn bekende moppenboek, maar ook verscheidene reclamefilmpjes, zoals eentje voor Vodafone waarin hij zichzelf te kijk zet met zijn gebrekkig Italiaans door perfect Latijns te spreken.

‘Voor trainer Luciano Spalletti zal het vertrek van Totti een bevrijding zijn en voor Roma werd het ook stilaan tijd om een nieuw tijdperk binnen te treden. Al denk ik dat zijn truitje binnen tien jaar nog steeds het meest verkochte zal zijn.’

Kan Nainggolan zijn opvolger worden? Hij is iemand voor wie je veel sympathie koestert, niet?

Joos: ‘Ja, voor de weg die hij heeft afgelegd. Hij behoorde aanvankelijk niet tot de gouden generatie Rode Duivels, maar hij heeft zichzelf constant verbeterd, via Piacenza en Cagliari tot Roma, daar moet je respect voor hebben.

‘We moeten niet denken dat we van hem een bourgeois zullen maken, maar het stuit mij tegen de borst dat hij als rotte appel bestempeld wordt omdat hij rookt. Terwijl ik zie wat hij zowel bij Rome als bij de Rode Duivels op en naast het veld betekent voor zijn ploegmaats. Soms krijg ik het gevoel dat men een stok zoekt om hem mee te slaan. Want het is een straathond en we weten niet wat we daarmee moeten doen.

Puur sportief begrijp ik wel dat Roberto Martínez niet goed weet wat hij met Nainggolan moet aanvangen, want hij heeft al Hazard en Mertens die op hun manier ongeleide projectielen zijn. Moet je daar dan nog Radja bijzetten? Maar hem niet meenemen naar een toernooi zou een grote fout zijn. Ik heb nog altijd het gevoel dat we hem gemist hebben op het WK in Brazilië in de kwartfinale tegen Argentinië. Die zaten in de tweede helft op hun tandvlees, als je daar Nainggolan kan inbrengen, met zijn energie en scorend vermogen…’

Het valt op dat je vaak de spelers beschermt als het over hun privéleven of gedrag gaat. Je gelooft niet in de voorbeeldfunctie van de bekende sporter?

Joos: ‘De voorbeeldfunctie voor kinderen ligt in de eerste plaats bij de ouders. Als iedereen een voorbeeldfunctie zou bekleden krijgen we ten eerste een saaie, grijze wereld en ten tweede heb je net minder goede voorbeelden nodig om iets te kunnen aantonen. Ik ben van het principe ‘leven en laten leven’. Ik wil geen veertiger zijn die zich constant loopt te ergeren aan de houding van twintigers. Als moderne coach moet je daarmee kunnen omgaan, anders is het voorbij. Ook journalisten moeten dat kunnen. Je moet als journalist altijd beseffen: ik ben secundair voor die mannen.’

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier