Jonas De Roeck: ‘Voetbal is niet het belangrijkste in mijn leven’

Jonas De Roeck: 'Ik speel niet graag politieman, maar als er misbruik wordt gemaakt van bepaalde zaken, dan moet je optreden.' © BELGAIMAGE - JORICK JANSENS
Alain Eliasy Journalist bij Sport/Voetbalmagazine

De scalp van Anderlecht en rivaal Genk heeft Jonas De Roeck al te pakken. Over enkele maanden kan de Antwerpenaar de eerste coach in acht jaar worden die STVV naar play-off 1 piloteert. Gesprek met de rookie onder de Belgische trainers.

Geen trainer in eerste klasse die de jongste weken zo fel bejubeld werd als Jonas De Roeck. Een paar maanden geleden was hij nog gewoon Jonas, gemeenteambtenaar op de dienst vreemdelingen in Brasschaat. Nu en dan werd hij herkend door een Antwerpsupporter – op een dag stond zelfs Jean-Marie Pfaff voor zijn neus – maar hij werd vooral geconfronteerd met schrijnende verhalen.

‘Je zou verschieten wat voor mensen je over de vloer krijgt’, zegt De Roeck. ‘Mensen die zich door het leven hebben gesparteld om te krijgen wat wij in België vanzelfsprekend vinden. Wat doe je met een Iraakse vrouw die voor haar leven vreest en via Turkije en Duitsland hier is gestrand? Keur je haar dossier goed of wijs je het af? Als je zo’n beslissing moet nemen dan is voetbal maar bijzaak. Boeiend werk, dat wel, maar zwaar. Op emotioneel én lichamelijk vlak. Ik heb veel respect voor mijn ex-collega’s die dat al jaren doen. Na vijf maanden is STVV gekomen en we hebben het contract in onderling overleg ontbonden.’

Voor zijn verhuis naar Stayen kwam De Roeck uren te kort om al zijn bezigheden af te ronden: overdag werkte hij op de gemeente, ’s avonds was hij trainer bij Berchem Sport en tussendoor moest hij blokken voor zijn Pro Licensecursus. ‘Een vermoeiende periode. Het gebeurde dat ik mijn drie dochters gedurende twee of drie dagen niet zag. Mijn vrouw kon daar gelukkig mee overweg. Als je thuis geen steun krijgt, dan hou je zo’n ritme nooit vol.’

In enkele maanden tijd heb je de oversteek gemaakt van tweede amateur naar eerste klasse. Hoe groot was de stap?

JONAS DE ROECK: ‘Ik heb het voordeel dat veel ex-profspelers hebben: ik ken het milieu, de manier van werken en de dagelijkse beslommeringen. Eigenlijk doe ik hetzelfde als bij Berchem, al moet ik nu nog meer op de details letten. De grootste verandering is alles wat erbij komt kijken voor en na een training. De media zijn daar één aspect van, maar het schrikt mij niet af. Als speler heb ik van die kant nooit enige druk gevoeld. Noem het nuchterheid. Ik ben allang tot de conclusie gekomen dat voetbal niet het belangrijkste is in mijn leven.’

Teambuilding

Schrok de reputatie van Roland Duchâtelet jou niet af toen STVV informeerde?

DE ROECK: ‘Helemaal niet. Hij was mijn eerste gesprekspartner bij STVV en het zat meteen goed. Die man heeft het hart op de goede plek en wil het beste voor zijn club. Heeft hij een andere visie dan de doorsneevoetbalvoorzitter? Zeker. En dat maakt hem net interessant. Kijk wat hij gepresteerd heeft in zijn leven: hij heeft tal van bedrijven opgericht, politiek bedreven, boeken geschreven. Zijn veelzijdigheid is een troef. Hij komt niet uit de voetbalwereld en daarom ziet hij dingen waar mensen die al lang meedraaien niet naar kijken. We hebben al een discussie gehad over inworpen. Hij vroeg mij: waarom doe je het niet zo? Hij floept er niet zomaar iets uit. Voor hij iets zegt, heeft hij er al een tijdje over zitten nadenken.’

Voor de interlandbreak pakte je 0 op 6 tegen KV Mechelen en Charleroi. Is het effect-De Roeck aan het wegebben?

DE ROECK: ‘Ik kan mij inbeelden dat mensen zo redeneren als ze enkel naar de cijfers kijken. Maar je moet alles in de juiste context zien: we doen het goed en dus beginnen de ploegen zich aan ons aan te passen. Als we kunnen omgaan met die nieuwe situatie, dan zullen we nog enkele weken bovenin meespelen. Het is mijn taak om iedereen te overtuigen dat we daar thuishoren. Weet je wat voor mij de definitie is van een goede trainer? Dat is iemand die een verzameling spelers tien procent beter kan maken. En in mijn geval betekent dat: vertrekken vanuit de eigen kracht en naargelang de tegenstanders bepaalde zaken aanpassen. Ik ga uit van het principe dat je de uitgestippelde weg moet blijven volgen.’

Potentiële sterkhouders als Antunes, Gueye, Ceballos en Acolatse ontbreken nog door blessures of een gebrek aan matchritme. Je zult straks spelers moeten ontgoochelen die het goed hebben gedaan. Kijk je daar tegenop?

DE ROECK: ‘Ik ken geen enkele trainer die met de glimlach tegen een speler zal zeggen: vandaag speel jij niet. Het is hoe dan ook belangrijk dat je je keuze motiveert en dat je aangeeft dat je een reactie verwacht. In feite moet je de spelers doen beseffen dat ze vroeg of laat een nieuwe kans zullen krijgen. De kracht van een team zijn niet de elf die starten, maar de jongens die op de bank zitten.’

Je organiseert blijkbaar teambuildingsevenementen en etentjes om de groepseenheid te versterken.

DE ROECK: ‘Om de betrokkenheid van de spelers te verhogen. Dat hoeft niet perse een teambuildingsactiviteit te zijn. Op het einde van een training zal ik eens iemand die weinig speelt of een jonge gast aanduiden om de kop te nemen tijdens het uitlopen. Daarna observeer ik. Durft hij de leiding te nemen? Aanvaardt de rest dat? Dat zijn momenten waarop je gewaar wordt hoe je groep in elkaar zit. Uiteindelijk is de basis van een goede kleedkamer het wederzijdse respect tussen de spelers en of ze iets willen betekenen voor elkaar.’

Misbruik

Toen je in augustus overnam van Marquez heb je meteen je stempel gedrukt door de regels inzake gsm- gebruik en muziek in de kleedkamer te verstrengen.

Een goede trainer, dat is voor mij iemand die een verzameling spelers tien procent beter kan maken

DE ROECK: ‘Het was nodig. Al had ik liever gezien dat de groep zichzelf gecorrigeerd had. Ik speel niet graag politieman – dat hou je niet lang vol en je straft er jongens mee die het wel goed menen – maar als er misbruik wordt gemaakt van bepaalde zaken, dan moet je optreden. Ik hanteer een regel: eerst hard werken en daarna ontspannen. Niet andersom. Aangezien voetballers kleine kinderen zijn, moet je zelf een lijn trekken waar niemand over mag. Maar het is niet uitgesloten dat ik sommige maatregelen straks terugdraai.’

Je hebt nog geen Pro Licensediploma. In hoeverre vind jij dat een probleem?

DE ROECK: (denkt na) ‘Ik ben in maart begonnen. Vroeger kon niet, want ik voldeed niet aan de voorwaarden om de cursus aan te vatten. Ik vind het goed dat clubs gebonden zijn aan bepaalde regels – ik kan de gedachtegang erachter helemaal volgen. Maar je kunt een trainer toch niet beletten om een ploeg te trainen omdat hij het juiste papier niet heeft? In vergelijking met vroeger is de situatie er wel op gebeterd. Was het niet zo dat je een assistent met een Pro License op de bank kon zetten om in orde te zijn? Dat vond ik niet correct. Nu moet je minstens kunnen aantonen dat je de Pro License volgt of de intentie hebt om eraan te beginnen.’

Heb je niet het gevoel dat je de plaats hebt ingenomen van een collega die wel een geldig diploma kan voorleggen?

DE ROECK: ‘Goh… Mocht ik daarmee inzitten, dan zal ik het niet lang volhouden als trainer. Je wilt niet weten hoeveel gegadigden er zijn voor elke vacature. Zoals ze zeggen: de een zijn dood is de ander zijn brood. En toch vind ik dat er meer collegialiteit heerst onder de trainers. Tijdens de cursussen merk ik dat we collega’s zijn van elkaar. We gunnen elkaar een nieuwe job.’

Wat is er zo leuk aan het trainerschap op het hoogste niveau? Je krijgt kritiek van de media, je krijgt te maken met morrende supporters en je verdient minder dan je spelers.

DE ROECK: ‘Spelers meekrijgen in je verhaal, een groep zien evolueren, je trainingsstof terugzien in matchen… Als ik spelers die er al tien jaar bijlopen in eerste klasse iets kan bijleren, dan is mijn opzet geslaagd. Op zich ligt het verwachtingspatroon van een speler uit eerste klasse en een gast uit de eerste amateurreeks niet zo ver uiteen. Op het einde van een training en het seizoen wil hij iets opgestoken hebben. Ik kan alleen maar hopen dat elke speler, zelfs de jongen die weinig gespeeld heeft, zegt: het is een goede trainer.’