Karen Pittomvils, mevrouw Vrancken: ‘Wouter en ik als bomma en bompa in de stoel. Zalig!’

© INGE KINNET
Mayke Wijnen Medewerker van Sport/Voetbalmagazine.

We kennen allemaal Wouter Vrancken, de trainer van eerst KV Mechelen en nu KRC Genk. Maar wie is de sterke vrouw achter de succescoach die zo heerlijk zichzelf weet te blijven? Ontmoet zijn jeugdliefde Karen Pittomvils.

Het is grauw en het miezert. De donkere dagen voor kerst zijn aangebroken en ook in huize Vrancken branden deze middag al wat lichten en kaarsen. Karen Pittomvils leidt ons binnen in hun gezellige onderkomen in Brustem, vlak bij Sint-Truiden. Normaal trippelen hier ook Trixx en Vita rond, maar de twee Engelse springerspaniëls zitten voor even apart; de jongste is een pup van zeven maanden en wil nog wel eens van enthousiasme binnen plassen wanneer ze nieuwe mensen ziet. Dit voorjaar namen ze afscheid van hun eerste gezinshond: Koda. ‘De honden maken echt deel uit van het gezin’, zegt Pittomvils. ‘Het overlijden van Koda had dan ook een enorme impact, vooral op onze dochter Manou. Als kind heeft ze uren tegen haar zitten praten. Dat was bijna therapie…’

Haar man Wouter en kinderen Manou (16) en Jesse (9) zijn vandaag van huis. En de oudste Anouck (18) zit sinds dit najaar op kot. Ons gesprek deze middag is dan ook met Pittomvils: wie is de vrouw naast Vrancken? Ze schenkt thee en koffie en gaat dan aan de lange keukentafel zitten, waar het nooit over voetbal gaat. ‘De kinderen vertellen weleens hoe zij de match beleefd hebben, maar verder… Nee. Ik ken geen ploegopstelling’, zegt ze met een lach. ‘Wouter zorgt er ook voor dat hij het werk afrondt voor hij naar huis gaat; hij maakt lange dagen en vervolgens kan hij hier echt thuiskomen. Hij hoeft zich hier nergens iets van aan te trekken en op een vrije dag gaan we samen weg. Ik weet dat hij nerveus wordt van thuis te zitten; hij doet niets liever dan er samen op uit te trekken. Dan gaan we lunchen of wandelen: iets doen. Dat organiseer ik van tevoren; ik houd daar rekening mee, omdat ik weet dat hij dat belangrijk vindt.’

Speelvogel

Dat klinkt als een klok. Pittomvils lacht. Ja, dat is zo. Máár, zegt ze: ‘We hebben daar hard aan moeten werken.’ Vrancken vertelde er eerder dit jaar ook al over in het gesprek dat we toen met hém hadden. ‘In het begin ben je verliefd en is alles leuk’, zei hij in dat interview.

Wouter zorgt ervoor dat hij het werk afrondt voor hij naar huis gaat; hij maakt lange dagen en vervolgens kan hij hier echt thuiskomen.’

KAREN PITTOMVILS

‘Maar in het beeld van knuffelen schuilt een mooie metafoor: je staat zo dicht bij elkaar dat je voor een stuk langs elkaar afkijkt. Je moet leren om in elkaars zicht te staan; kort genoeg om die band te voelen maar toch ook tegenover elkaar om de ander te zien voor wie hij of zij is en wat die nodig heeft. We zijn heel fel gegroeid, afzonderlijk en daarmee ook naar elkaar.’

Ja, het was een felle verliefdheid, knikt Pittomvils. ‘Een enorme aantrekkingskracht.’ Bij STVV, waar Vrancken in het eerste elftal speelde en Pittomvils als kind al met haar vader, nog altijd een échte supporter, meeging naar de wedstrijden. Maar meer dan ‘die nummer 2’ op het veld was Wouter Vrancken toen nog niet voor haar. Pas toen hij het team van haar broertje ging trainen, zag ze hem van dichtbij. ‘Ik had zelf niet echt hobby’s en ging graag mee met mijn ouders naar mijn broertje kijken. Daar waren ook altijd andere broers en zussen, kinderen van mijn leeftijd, en toen Wouter trainer werd, ging ik wat vaker mee. (lacht) Ik was geïntrigeerd door hem. Hij was een speelvogel, assertief ook. Dat trok me enorm aan; ik was zelf mega soft. Wat ik mij ook nog heel goed herinner, is dat zijn manier van trainen mij toen al opviel. Amai, die is goed. Maar wat betekende dat toen? Toch zag ik hoe die mannekes naar hem opkeken, hoe het pakte wat hij deed, wat hij zei…’

En dat verhaal over haar als Miss STVV? Ze lacht. ‘Er ‘hing’ toen al iets tussen ons. Maar op die feestavond nadat ik totaal onverwacht tot Miss STVV werd verkozen, hebben we in de Swing in in Sint-Truiden samen gedanst. Dat was de eerste keer dat we écht contact hadden.’ Ze begonnen elkaar berichten te sturen. Vijf sms’jes per dag, dat was toen het maximum. ‘En dan moest je ook nog bij het raam gaan staan om bereik te hebben. Stond ik daar te wachten tot er een lampje zou branden; já, een berichtje. Dat maximum van vijf stuurden we elke dag naar elkaar.’

Sindsdien zijn ze onafscheidelijk. En haar ouders, en dan vooral haar vader, konden hun geluk niet op. Dat Vrancken nu bij Genk trainer is… Tja, dat ligt natuurlijk wat gevoeliger, maar er wordt vooral eens om gelachen. ‘Ze zijn echt heel fier. Als hij in de krant genoemd wordt als mogelijke bondscoach – hij gaat dat niet doen, hoor – stralen ze van oor tot oor.’

© INGE KINNET
Spiritualiteit

De jongen die ze toen tegen het lijf liep, is niet meer de man die ze nu kent. Zoals zij niet meer dat meisje is. ‘Als iemand beweert dat zijn relatie altijd rozengeur en maneschijn is, word ik heel voorzichtig. Wouter en ik zijn ontzettend hecht, al 22 jaar, maar onze relatie van nu is niet te vergelijken met die van toen. We waren nog zo jong, zo onvolwassen. We botsten al eens fel, maar juist daardoor vonden we elkaar en de balans weer terug.’

Ze leerden elkaar steeds beter kennen door zelf in de spiegel te kijken. Pittomvils was daarin leidend; zo’n vijftien jaar geleden kwam ze in aanraking met ‘spiritualiteit’, een woord dat een beetje een nare nasmaak kreeg. ‘Het wordt vaak zo zweverig. Terwijl ik heel erg met beide benen op de grond sta.’

We houden het dus maar bij zelfontwikkeling of bewustwording, want dát is het, zegt ze. Ze was 27 en zat in een dip. In die periode móést ze wel naar zichzelf kijken om eruit te komen. Ze ging een hele ontwikkeling door. ‘Er is een Karen voor en een Karen na die periode. Ik was een heel brave puber en bleef altijd die softie, maar op dat moment ging dat niet meer; ik zat niet lekker in mijn vel. Het was een heel moeilijke periode, maar ik had die nodig om te staan waar ik nu sta.’ Een keerpunt noemt ze het. ‘Ik begon met mindfulness en leerde om harder te worden, waarmee ik bedoel dat ik beter mijn grenzen aangeef. Ik ben ontzettend vergevingsgezind, té, en dan laat je jezelf opzijzetten. Dat heb ik moeten leren, en dat blijft nog altijd een uitdaging.’

We leven in een maatschappij waarin we gemiddeld van ons 20e tot na ons 60e werken; dat is een héél lange tijd en veel mensen vergeten juist in die jaren te genieten.’ KAREN PITTOMVILS

Ze ontdekte wie ze is en wat ze nu écht wil. Ze ging yogales geven, werd holistisch schoonheidsspecialiste waarbij ze ook reikibehandelingen geeft. En Vrancken? Die groeide dus met haar mee. Want: ‘Als één van de twee verandert, kun je de ander afstoten of juist aantrekken.’

Maar Vrancken stelde zich open voor haar manier van leven en zo gingen ze al eens samen naar cursussen. Over communicatie en ontwikkeling, bijvoorbeeld. Al blijft haar man de wereld materialistischer bekijken dan zij. In datzelfde gesprek vorige winter zei hij daarover: ‘Dat komt ook omdat ik in het voetbal zit. Spiritualiteit is daar een taboe en ik zie mijzelf dat nu niet direct introduceren, maar omdat mijn vrouw de dingen vaak immaterieel benadert, prikkelt mij dat. Daardoor denk ik erover na en dat heeft zijn invloed op mijn ontwikkeling.’

Karen: ‘Maar ze zijn er écht wel hoor, spelers of mensen in de staf die verder kijken dan het fysieke. Ze zullen het misschien niet allemaal hardop zeggen, maar als ik naar de match ga, beland ik altijd in gesprekken die niet zo oppervlakkig zijn als dat het voetbal vaak wordt afgeschilderd. Dat trekt je dan toch aan op een of andere manier…’

In een bolleke gestoken

De belangrijkste ontwikkeling die ze bij haar man zag, was hoe hij verzachtte. Want: Wouter Vrancken kan heel duidelijk zijn, je weet wat je aan hem hebt. Bijna op het harde af – dat is althans hoe het weleens bij zijn vrouw kon binnenkomen, die gevoelig is.

Het voetbal verhardde hem. Gelukkig maar: hij leerde daardoor voor zichzelf op te komen. Want eigenlijk, diep vanbinnen, is hij een heel zachte jongen. Ooit was hij verlegen, dat manneke dat de kat uit de boom keek. Ja, onzeker zelfs. Een typisch kind uit een dorp. Zijn ouders voedden hem beschermd op. ‘We komen beiden van onder de kerktoren’, zegt zijn vrouw. ‘Ik uit Velm, hij uit Rijkel, beide bij Sint-Truiden. En hoe meer je in een bolleke gestoken wordt, hoe moeilijker het wordt om je te profileren. Zeker als jongen in het voetbal, zeker met een trainer die je rosse noemde. Toen was dat heel hard, maar hij is daar nu heel dankbaar voor.’ Vrancken vorig jaar: ‘Veiligheid en familie waren het belangrijkste. We speelden heel erg op safe en ik wilde dat niet anders, maar ik hield het daardoor ook heel lang bij wat ik had, in plaats van mijn vleugels uit te slaan. (…) Daarvoor ben ik het voetbal het meest dankbaar: zonder dat was ik misschien veel onzekerder gebleven.’ Pittomvils: ‘Toen ik Wouter leerde kennen bij STVV had hij al iets heel assertiefs. Hij kon ontzettend gevat en fel zijn. Dat zie je nu ook langs het veld – of erin toen hij nog speelde. Hij vergeleek zichzelf eens met zijn grootvader: een heel klein hartje maar ook iemand die heel bruut kan antwoorden. Enerzijds trok die assertiviteit mij aan, anderzijds kon ik me ook weleens aangevallen voelen. Dus ja: hij had het voetbal zeker nodig om zich ook persoonlijk te kunnen ontplooien, maar het was voor hem óók een manier om die zachte jongen niet te hoeven laten zien.’

© INGE KINNET
Bij bomma op schoot

Ze glimlacht bij de verhalen die zijn oma haar vertelde. Jean en Roza Vrancken woonden op een steenworp afstand van zijn ouderlijk huis, met de Steenweg tussen de twee woningen in. Zijn school lag aan dezelfde kant als zijn thuis, maar toch stak hij elke morgen éérst de drukke weg over om even te zwaaien naar zijn grootouders: ‘Ik ben naar school, hé?’, riep hij dan door het venster. ‘Hij was daar kind aan huis’, zegt zijn vrouw. ‘Na school maakte bomma vers fruit, pannenkoeken… Hij kroop bij haar op schoot. Als klein manneke was hij heel gevoelig.’

Hij weet nu wanneer hij die zachte of die harde kant kan inzetten, zegt Pittomvils. ‘Dat zachte zie ik steeds meer terugkomen. Was hij vroeger emotioneel, dan sloot hij zich af. Nu kan hij erover babbelen. Soms zelfs beter dan ik. Ik hoor via hem haast mezelf praten en denk: hmm… ik mag dat zelf eigenlijk meer gaan doen. Hij is de reminder voor de dingen waar ik voor sta.’ Stilte. ‘Ik vind het mooi om te zien wat hij met de jaren allemaal heeft opgepikt van wat ik meegeef. Hij zal de spiritualiteit niet integreren in zijn leven zoals ik; ik zie de mensen die ik ontmoet, de moeilijkheden die ik heb en de tekens die ik ontvang allemaal als boodschappen, als lessen. Ik zal het altijd terugkoppelen naar mezelf. Dat doet hij ook, maar zonder daar zo ver over door te denken als ik.’ Wat voor haar daarvan het doel is? ‘Simpel: groeien. Elke moeilijkheid of tegenslag is een mogelijkheid om je te ontwikkelen. Dat is zo mooi. Waarom leven we anders? Dat ziet Wouter precies zo.’

Moeder, waarom leven wij?

Waar Vrancken er door zijn vrouw mee in aanraking kwam, stelde Pittomvils zich vroeger al vragen over de essentie van het leven. Ze weet nog precies hoe dat ging. ‘Ik zag het programma op VTM Moeder, waarom leven wij? Die zin kwam zó binnen bij mij. Ik dacht: inderdáád! Waarom leven wij?! Als kind liet me dat nooit meer los en nu nog stel ik mij die vraag.’

Nee, ze heeft daar nog geen antwoord op, althans niet op ‘de wij’ uit de zin. Wél persoonlijk. ‘En daarmee heb je dan ook wel weer het antwoord als collectief. Voor mij is het antwoord die groei; verantwoordelijkheid nemen voor jezelf. Dan denk ik dat je het al heel goed voor elkaar hebt. En als ieder voor zich dat nastreeft…’

Was Wouter vroeger emotioneel, dan sloot hij zich af. Nu kan hij erover babbelen. Soms zelfs beter dan ik.’

KAREN PITTOMVILS

Het gevolg van die groei is dat ze ook inhoudelijk voor zichzelf een antwoord vond op de waaromvraag. ‘Ik ben mama en de vrouw van Wouter. Natuurlijk heb ik mijn eigen zaak, maar ik vóél mij ook echt tot in mijn tenen een mama. Zij zijn onze spiegels; Wouter en ik vinden het heerlijk om naar hen te kijken en dat op onszelf te reflecteren. De oudste heeft meer mijn karakter, qua vergevingsgezindheid, maar qua structuur is dat helemaal Wouter. Ik ben een en al chaos. Manou is dan weer heel gevat in haar antwoorden, zoals hij. Maar er lijkt een extra koordje te zijn tussen mij en de middelste en jongste en Wouter en de oudste. Als ik niet in balans ben, zijn die twee dat ook niet. En Wouter heeft dat meer met Anouck. Zo is er een interessante wisselwerking tussen karakter en gedrag…’

Voor hen staat het gezin op één, dán pas komt het voetbal. Een paar weken geleden waren ze in Rome nog eens met zijn vijven; nu de oudste sinds dit najaar uit huis is, veranderde de samenstelling van het gezin thuis. ‘Toen de kinderen klein waren, deed ik met hen ‘de dankbaarheid van de dag’. Dat pakten we in Rome nog eens op: ‘Wat was het hoogtepunt, waar zijn jullie dankbaar voor?’ En dan zeiden ze unaniem: ‘Dit moment, gewoon met ons vijf eten en lachen.’ Wauw, dat is het. Daarvoor doe ik het. Doen wé het.’

Steeds hechter

Wánt, stelt ze: ‘Je wordt samen oud, hè, niet met je kinderen. Veel koppels verliezen zich in de kinderen en dan komen ze na hun pensioen bij elkaar: wie zijde gij eigenlijk? Dat bewaken wij heel fel. Wij zien dat ook al voor ons: wij als bomma en bompa samen in de stoel. Zalig! (lacht) Maar écht. Op maandag of dinsdag is Wouter meestal vrij en dan zitten wij tussen de gepensioneerden te lunchen – wie is er nu op maandag vrij? Dan zeggen we tegen elkaar: dit is het hè, later, samen op pad. Met dat verschil dat we het nú al doen. We leven in een maatschappij waarin we gemiddeld van ons 20e tot na ons 60e werken; dat is een héél lange tijd en veel mensen vergeten juist in die jaren te genieten.’

© INGE KINNET

Jean en Roza gaven hen het beste voorbeeld. ‘Altijd weg samen, genieten van hun tijd met zijn tweeën. Prachtig om te zien. Zij konden écht niet zonder elkaar.’ Een paar weken geleden overleed Roza, bijna drie jaar na haar man Jean. ‘Dat is heel zwaar voor Wouter. Zoals ik al zei: hij was daar kind aan huis. Hij zit nog midden in dat verwerkingsproces. Het helpt te weten dat ze na al die jaren nu eindelijk weer samen zijn.’

En ook voor hen geldt: ‘Hoe langer we samen zijn, hoe hechter we worden. Ik merk nu, in dit gesprek, ook hoe moeilijk het is om me te verplaatsen in mijzelf als achttienjarige. Dan zie ik hem ook weer voor me als twintigjarige. Twee totaal andere mensen, totaal andere levens.’ En tóch was er altijd iets dan hen verbond, op welk moment dan ook en onafhankelijk van de ontwikkelingsfase waarin ze zaten. ‘Wat dat is? Ik zie dat voor me als een beeld.’ Ze tekent in de lucht twee lijnen die slingerend opwaarts gaan, in elkaar overgaand en weer van elkaar verwijderend. ‘Wij maken elkaar sterker door even los te komen. Vroeger deden we dat door te botsen. Nu hebben we aan een blik of een hand genoeg om elkaar iets duidelijk te maken. Én: wij gaven nooit op. In een groeifase kun je elkaar verliezen. Wij pakten elkaar mee. Soms was hij eerst, de andere keren ik. Wouter is mijn zielsmaatje. Ik geloof echt dat wij elkaar moesten tegenkomen. Wij dienden elkaar sterker te maken. En dat doen we nog elke dag; ik leer Wouter nog steeds beter kennen.’

‘Ik kan écht niet tegen onrecht’

Karen Pittomvils is geen voetbalfanaat, maar natúúrlijk volgt ze de verrichtingen van haar man op de voet. Is Wouter Vrancken in Mechelen dan heeft ze een geel-rood hart, coacht hij Genk dan kleurt dat blauw-wit. En niet zo’n beetje ook. ‘Ik hou mij voortaan een beetje in’, zegt ze. ‘Bij Mechelen was ik nog veel feller. Ik heb op een bepaald moment gezegd: ik moet mezelf beschermen. Het kwam allemaal veel te erg binnen; ik ga helemaal op in de intensiteit van de wedstrijd en wanneer iets oneerlijk is, word ik helemaal gek. Onrecht… Daar kan ik écht niet tegen. Wouter is precies dezelfde. Zoals hij langs de kant staat, zo zit ik in de tribune.’

‘We waren even gelukkig zonder voetbal’

In het interview dat Wouter Vrancken begin dit jaar gaf aan dit blad zei hij heel onbevangen te zijn in zijn job als trainer. Waar velen bang worden om hun baan, hun identiteit, te verliezen, gelooft hij ‘dat het leven is voorbestemd’, zoals hij dat verwoordde. Geen trainer meer? So be it. ‘Als ze morgen tegen mij zeggen dat ik weg moet en vervolgens wil niemand me meer, dan ga ik gewoon wat anders doen.’ Zoals hij eerder al jaren uit het voetbal verdween na zijn carrière omdat hij ‘het wereldje vol hypocrisie’ niet meer kon verdragen.

Zijn vrouw herkent hem daar helemaal in. ‘Wij hebben na zijn carrière jarenlang ver weg van het voetbal geleefd’, zegt Karen Pittomvils. Vrancken was toen vertegenwoordiger van een sportmerk, werkte even bij een bank en was teammanager bij Nespresso. ‘Toen waren we net zo gelukkig.’

Gehecht aan zijn status is hij dan ook niet. En dát is zijn geheim als trainer. Het menselijke staat altijd voorop. ‘Hij kan gewoon zijn werk doen zonder angst. En dus zonder politiek of verborgen agenda’s. Hij communiceert altijd heel open; iedereen weet precies wat hij aan hem heeft. Of het nu het bestuur is, de spelers of de materiaalman: hij verwacht van iedereen dat hij aan zijn taken voldoet. En hij zal het ook zeggen als dat niet zo is. Dan komt die jongen met het hart op de tong weer naar voren.’ (zie hoofdtekst)

Maar zijn kracht is toch vooral die andere, zachte kant van hem. Want: hij durft zich kwetsbaar op te stellen. ‘Hij kan er niet tegen wanneer dingen achter de rug gebeuren. Dat vindt hij verschrikkelijk. Het is misschien een geluk dat hij wat dat betreft bij de juiste clubs kwam, maar hij heeft nu ook gewoon dat profiel. Clubs weten wat ze met hem in huis halen. Hij trekt aan wat hij zelf uitstraalt.’

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier