Wie is Youssouph Badji, de ruwe diamant van Club Brugge?

'Senegalese jongeren, zoals Youssouph Badji, integreren zich snel in Europa', zegt Pape Gueye. © Belga Image
Peter t'Kint
Peter t'Kint Redacteur bij Sport/Voetbalmagazine

In afwachting van alweer een nieuwe centrumspits wist de onbevangen ruwe diamant Youssouph Badji (18) indruk te maken in zijn eerste maanden bij Club Brugge. Dat hij, net als Krepin Diatta, uit het zuiden van Senegal komt, is geen toeval.

Het was zaterdag 4 juli toen we voor het eerst kennis maakten met Youssouph Badji, de rijzige Senegalese centrumspits van blauw-zwart. Het regende die middag oude wijven op het oefencomplex in Knokke, kader voor de eerste oefenmatch van Club. Coronaproof, wat toen wilde zeggen: een eerste keer voetbal mét mondmasker, social distancing, zonder publiek en met vooraf geteste spelers. Een speciale format ook: vier keer dertig minuten. In het eerste uur ging alle aandacht naar het met de bal wroetende, niet scorende spitsenduo KrmencikOkereke, in het tweede deel van de match werden die afgelost door een ander duo: RezaeiBadji. Van de vier maakte de jongste, een Senegalees, de meest ontspannen indruk. Hij liet een paar leuke dingen zien en scoorde ook. Het duel eindigde op 4-1, met ook twee goals van Hans Vanaken en een owngoal.

Ik ga akkoord met Clement: je mag zo’n jongen niet iedere keer opstellen, anders riskeer je hem te verbranden.’ Khalilou Fadiga

Twee maanden later kent iedereen de achttienjarige, die uiteindelijk in de voorbereiding vier keer zou scoren en bleef opvallen met zijn 1m92. In de bekerfinale, op 1 augustus, begon hij nog op de bank (en zat Krmencik in de tribune), om vervolgens in de 52e minuut te mogen invallen. David Okereke, vorig seizoen dé spits van het competitiebegin, beende nijdig naar de kant en bekocht die felle reactie met een niet-selectie op de openingsspeeldag tegen Charleroi een week later. Badji startte toen en dat zou hij blijven doen, vier keer op rij. Zijn stats: twee goals en een assist in de uitwedstrijden, waar iets meer ruimte lag. In de thuismatchen toonde hij andere kwaliteiten: altijd aanwezig, snel, veelzijdig, sterk in de duels en door zijn balvastheid een goed aanspeelpunt voor de middenvelders. Heeft Club eindelijk een opvolger voor de naar Aston Villa verhuisde Wesley?

Leergierigheid

Le mot excellent est faible’, lacht Khalilou Fadiga, ex-Club Brugge en voor de West-Vlamingen nog steeds een gewaardeerd aanspreekpunt als er informatie moet worden ingewonnen omtrent een Senegalese voetballer. ‘Badji heeft de toekomst. Hij is jong, een uitstekende voetballer en iemand met een zeer goeie mentaliteit. En voor zijn lengte heeft hij een ongelooflijk fijne techniek. Je voelt bij hem ook heel veel zin om bij te leren. Als voetballer combineert hij de drang naar de goal met aandacht voor het collectief. Hij is ook ernstig bezig met de tactische opdrachten die Philippe Clement hem geeft.

‘Soms zegt men wel eens dat het voor een jongere niet makkelijk is, op het veld komen met al die opdrachten en wat weet ik allemaal. Maar Badji luistert goed. Krepin Diatta heeft dat ook. Vorig seizoen was ik bij de wedstrijd tegen Galatasaray en achteraf kwam Krépin me wat dingen vragen. Dat heb ik graag, jonge spelers die info vragen, luisteren naar ex-profs, naar hun trainer, naar anderen. Als je dan vooruitgang ziet, zoals bij Krepin vorig seizoen, ben ik daar blij mee. Badji komt uit dezelfde regio, uit het zuiden van Senegal. Voor mij zijn dat mensen die gestructureerd en beleefd zijn. Zeer fiere mensen, zeer kalm ook. In Senegal hebben ze graag de mensen uit het zuiden.’

Toen dit blad in maart met Clement een gesprek had over de black power van zijn ploeg, liet hij al de naam van Badji vallen als voorbeeld van integratie. Hij had amper wat gekost, was bij aankomst in de beloftekern geplaatst en brak daar in de Youth League al meteen het middenvoetsbeentje. Maar plichtbewust hield hij zich aan een revalidatieschema, het voedingsadvies én de coronamaatregelen. Tevreden constateerde Clement dan ook al in maart dat Badji ‘meteen met alles mee’ was.

Dat deden ze ook bij Casa Sports, de ploeg waar Club Brugge hem weghaalde en waar hij al op zijn zestiende in het eerste elftal speelde. Ook daar zagen ze eenzelfde snelle ontwikkeling. Badji groeide op in de wijk vlak achter het stadion van Casa Sports, maar debuteerde bij een andere ploeg, Santhiaba FC, een derdeklasser. Daar haalde Casa Spots hem weg. De reden: de spits bewoog goed, belette de tegenstander uit te verdedigen en was genereus aan de bal. Iemand op wie je kon rekenen. Om zijn integratie op een hoger niveau te verbeteren gaven ze Badji er naast collectieve trainingen ook een individueel programma. Ook toen bleek zijn leergierigheid. Hij leerde beter de bal af te schermen en ontwikkelde zich sterk.

Youssouph Badji met Club Brugge in duel tegen Joakim Mæhle van Racing Genk.
Youssouph Badji met Club Brugge in duel tegen Joakim Mæhle van Racing Genk.© INGE KINNET

Een en ander is geen toeval. Een andere Senegalees die we bellen, houdt het volgende liever anoniem: ‘Iemand uit het zuiden van mijn land past zich sneller aan. Zuiderlingen zijn hardere werkers, hebben meer honger. Niet honger in de échte zin van het woord, maar leergierig. Zij willen niet die chique auto, dat nachtleven van Dakar, de blingbling, de meisjes. Ze zijn bescheidener. Als men mij morgen laat kiezen tussen een voetballer uit het zuiden of eentje uit Dakar, dan moet ik moet geen twee keer nadenken.’

Het lijkt op het lijf van Badji geschreven. Geen ronkende verklaringen in zijn eerste mediaoptredens. Liever dan in te gaan op vragen laat hij zijn voeten spreken.

Opleidingscentra

Cheikh Fall is zaakwaarnemer van Franck Kanouté, de 21-jarige Senegalese middenvelder die ooit bij Juventus passeerde en na wat omzwervingen in de Serie B nu voor Cercle Brugge gaat voetballen. Hij kent Badji en zegt dat er nog veel meer Senegalees talent zit aan te komen. Om een en ander te duiden neemt hij ons mee in de geschiedenis: ‘De ontwikkeling van het voetbal in Senegal kreeg een enorme boost na het WK van 2002, toen Fadiga in de selectie zat. Er zijn academies gekomen, om te beginnen in Dakar maar later ook elders in het land. Het niveau van de jongeren is ontzettend gestegen, zodat het land zich in 2018 opnieuw voor het WK heeft kunnen plaatsen. Er is veel talent ontwikkeld, steeds beter gestructureerd. Vooral Franse ploegen hebben geld gestopt in de opleiding en dat is gaan renderen.’

‘Een tweede kantelmoment was de veranderde regelgeving van de FIFA in 2009’, gaat Fall voort. ‘Spelers jonger dan achttien mochten niet meer worden getransfereerd naar Europa. Vroeger werden er veel (te) jonge Afrikaanse talenten naar Europa gelokt door managers en daar vervolgens aan hun lot overgelaten. Niet elke club kon dat goed opvangen. Door dat te verbieden werden de jongeren ter plaatse opgeleid, tot hun achttiende, in steeds betere accommodaties. Langer thuis wonen in hun beschermende omgeving maakte dat ze rijper waren toen ze de overstap maakten. Ze missen de familie nog steeds, maar er is een grote gemeenschap om zulke jongens op te vangen.

‘En dan komen we bij punt drie: de taal die jullie spreken, maakt het ook makkelijk. Haast iedereen in het Belgisch voetbal spreekt een mondje Frans, ook in Brugge. Dat maakt dat die jongens zich heel snel thuis voelen. Het niveau is ook ideaal. Jullie voetbal lijkt op het Engelse. Wie er bij jullie bovenuit steekt, is klaar voor om het even welke competitie, zeg ik altijd. Spelers luisteren daarnaar en komen graag naar België.’

Filiaal

Pape Gueye is oud-voetballer van Union en Eendracht Aalst. Hij bleef na een carrière die hij in Engeland afsloot, in Brussel wonen en bracht vorig seizoen Pape Habib Guèye naar KV Kortrijk, een 20-jarige centrumspits met veel potentieel. Gueye overloopt enkele landgenoten in België: ‘Er zitten er vier bij Seraing, eentje bij Antwerp, eentje in Kortrijk, eentje bij Cercle, een paar bij Club… Steeds betere infrastructuur en een opleiding die stilaan vergelijkbaar is met die hier in Europa, dat zijn inderdaad de verklaringen van ons succes. Dat vergemakkelijkt de integratie van de jongeren wanneer ze hier aankomen. Een Senegalees heeft over het algemeen een goeie achtergrond: hij past zich makkelijk aan, is beleefd, welopgevoed. De Europese ploegen die al in het land investeerden, hebben daar honderd procent succes geboekt. Kalidou Koulibaly, Sadio Mané, Ismaila Sarr, Kara Mbodj bij Anderlecht vroeger, Cheikhou Kouyaté. Wat we lang misten, was infrastructuur. Maar nu de Europese clubs ook daarin investeerden, merk je een enorme explosie aan talent. En dat moet niet langer verplicht via Dakar om in Europa te komen. Diatta heeft er nog een tijdje gevoetbald, maar Badji al niet meer.’

Fadiga ziet kansen voor Belgische ploegen om de vijver nog intenser te bevissen. ‘Sommige ploegen zetten samenwerkingsakkoorden op. Metz heeft er, Marseille ook. Belgische ploegen zouden dat ook moeten doen, in een partnership treden. We zijn een gewezen kolonie van Frankrijk, ik snap de historische banden en de taal die we delen, maar nu de Franse teams er minder investeren, is er een opportuniteit voor Belgen. Ze spreken toch overal Frans in België.

‘Ik zou graag hebben dat een club zoals Brugge een opleidingscentrum in Senegal opent. Bij Club staan ze nu ook meer open voor iemand die rechtstreeks uit Afrika komt, zoals Badji, dan een paar jaar geleden. Om economische redenen, dat kost hen minder dan via een tussenstation in Europa, zoals bij Diatta. Die omweg hoeft ook niet. De andere Afrikanen in de club kunnen de integratie vergemakkelijken. In dit verhaal is ook de trainer zeer belangrijk. Je moet een coach hebben, zoals Clement, die open staat voor jongens uit Afrika, veel met hen praat, hen op hun gemak stelt, maar ook niet aarzelt om hen titularis te maken.’

Maar achttien jaar is wel te jong om de aanval te dragen van een ploeg die straks Champions League speelt, vindt ook Fadiga. ‘Ik ga akkoord met Clement: je mag zo’n jongen niet iedere keer opstellen, anders riskeer je hem te verbranden. Je moet hem laten ademen, af en toe weer uit de ploeg halen.’ Clement wil met Badji doen zoals met Charles De Ketelaere vorig seizoen: met mondjesmaat minuten geven.

‘Technisch zijn we goed, fysiek ook’, gaat Fadiga voort. ‘In veel ploegen is de jeugdopleiding afgestemd op, of een kopie van de Franse jeugdopleidingscentra. Onze morfologie is lang en slank. Beweeglijk. Zij die uit het zuiden komen, zijn soms wat fijner, zoals Krépin, niet te gespierd. De Senegalees is over het algemeen groot en rank. En altijd met de glimlach! Dat maakt deel uit van ons DNA. De Senegalees werkt. Ga naar België, naar Parijs, ga naar de Spaanse of de Italiaanse stranden, ga naar New York: het zijn de Senegalezen die werken! De taxi besturen of iets verkopen. Je zult een Senegalees nooit zien bedelen om hulp. Dat zit niet in onze genen.’

Wie is Youssouph Badji, de ruwe diamant van Club Brugge?
© INGE KINNET

Jongens uit Casamance

Een snelle, vlotte aanpassing, het is eigen aan jongens uit de regio Casamance, het zuidelijke, agrarische deel van Senegal dat van de rest van het land gescheiden is door Gambia, legde Demba Ramata van Casa Sports onlangs uit in de Krant van West-Vlaanderen. ‘Het leven is er keihard en discipline zit in het hart van al wat we doen. Wij zijn grootgebracht met het besef: hoe succesrijk je ook bent, het is niet eeuwig, dus let op en respecteer anderen en jezelf. Zo zijn wij. Zo is Sadio Mané, zo is Krepin Diatta en zo is ook Youssouph Badji. ‘

Net als Diatta groeide Badji op in de zanderige straten van de volkswijken van Ziguinchor, de grootste stad van Casamance. ‘Hier is veel ruimte om te voetballen, het straatvoetbal is bij ons nog echt de basis van onze opleiding’, aldus Demba Ramata. ‘Je leert er de bal af te pakken, de bal af te schermen en je aanspeelbaar op te stellen. Er is hier ook alleen training voor de jeugd wanneer er geen school is.’ Dat is anders dan in Dakar, de hectische hoofdstad aan de andere kant van het land, benadrukt hij. ‘Daar krioelt het van de zogezegde voetbalscholen. Kinderen moeten er overdag trainen in plaats van naar school te gaan en te leren lezen en schrijven. Zogezegde makelaars en scouts hopen er die ene op honderd kinderen te vinden die hen veel geld zal opbrengen. Ik noem dat de slavenhandelaars van de sport. Hoe kunnen die kinderen zonder opvoeding en persoonlijke ontwikkeling later voor zichzelf opkomen?’

In Casamance heerst een totaal andere cultuur, besluit hij. ‘Diatta en Badji zijn er het product van. Zij beschikken ook over de persoonlijkheid om te slagen in het leven.’

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier