Atletico Madrid: de vervloekte club

De tifo 'Orgullosos de no ser como vosotros' van de Atléticoaanhang is een boodschap voor de supporters van Real Madrid : 'We zijn er trots op dat we niet zijn zoals jullie, de elite.' © BELGAIMAGE
Sam Ooghe Medewerker van Sport/Voetbalmagazine

Atlético Madrid, dat zaterdag aartsrivaal Real ontvangt, is nu een absolute topclub, maar amper vijftien jaar geleden zat het team in tweede klasse. Atleti stond toen synoniem met verliezen. Ze waren ‘el Pupas F.C.’, ‘de vervloekten’. Slechts één man had het antigif: Diego Simeone.

‘Dit is voor mijn zoontje. Hij wordt op school elke dag uitgelachen omdat hij van Atleti is. Maar morgen niet meer. Nooit meer.’ Aan het woord is verdediger Miranda, net na de finale van de Copa del Rey tegen Real Madrid in 2013. In de 112e minuut van de match had hij een voorzet van Koke voorbij Diego López gekopt. Het was de 2-1 en de doodsteek voor Real, dat in de reguliere speeltijd drie keer het doelhout raakte.

Het is niet zomaar een cupwinst. ‘Dit is voor de geschiedenis, dit is voor altijd’, zegt kapitein Gabi. Atleti had al een tijdje niet gewonnen van de buren. Sinds 1999, om precies te zijn. 14 jaar en 25 partijen zonder overwinning – dat is een eeuwigheid. En het mooiste is dat Atlético wraak neemt in het hol van de leeuw: Santiago Bernabéu.

Na het laatste fluitsignaal vieren spelers en supporters de winst met tranen in de ogen. De fans dansen urenlang op de tribunes, tot de stadionverantwoordelijke de lichten letterlijk uitdoet. Dit is niet zomaar een revanchematch. Deze wedstrijd draagt het gewicht van een jarenlange geschiedenis met zich mee. Het is het einde van een mythe.

Onmogelijk doelpunt

Vandaag behoort Atlético Madrid tot de wereldtop, maar vóór 2010 stond de club gelijk met verlies en tragiek. Sinds de jaren negentig versleet de club gemiddeld anderhalve trainer per seizoen. Op bijna komische manier zette Atlético zichzelf telkens een hak. Verdedigers maakten knullige owngoals, of penalty’s werden gemist in de laatste minuut. In 1999 versloeg de ploeg Real Madrid na een fantastische partij; in datzelfde seizoen degradeerden ze naar tweede klasse. Atleti was de club van het noodlot, van de ijdele hoop en de pech. De fans hadden het gevoel dat een kwade God hun club gekozen had als speelbal.

Dat alles werd samengebald in één term: ‘El Pupas‘. ‘De vervloekten’, of ‘de zieken’. Het was jarenlang de bijnaam van de Madrilenen. Meer nog: het werd synoniem voor Atlético.

De geboorte van ‘El Pupas‘ dateert van de jaren zeventig, een periode van sportieve voorspoed en successen voor de club. In het naoorlogse tijdperk had het team zeven titels en vier bekers gewonnen. Meer nog dan Barça was Atlético dé grote uitdager van Real.

In 1974 bereikt het team voor het eerst de finale van de Europacup. De tegenstander: Bayern München, met sterren als Franz Beckenbauer en Gerd Müller. Een absoluut topteam. Er wordt soms gezegd dat dit Bayern het enige clubelftal is dat ooit een WK won – want twee maanden na de Europacupfinale wordt Duitsland wereldkampioen met bijna uitsluitend spelers van München.

De finale is bikkelhard. Vooral de sterren van Bayern geven niet thuis. Volgens verschillende kranten is Beckenbauer meer bezig met de camera’s dan met de partij. Pas in de 114e minuut breekt Luis Aragonés, de latere bondscoach van Spanje, de match open met een prachtige vrije trap. 1-0. De tijd tikt weg. De eerste Europacup ooit voor de Madrilenen lijkt binnen.

Tot de 120e minuut. De Belgische ref Vital Loraux heeft het fluitje al in de mond om de match te beëindigen, wanneer Beckenbauer, radeloos na twee uur klungelen, de bal afspeelt naar Hans-Georg Schwarzenbeck. Die naam doet allicht geen belletje rinkelen. Schwarzenbeck is een mandekker, een breker, meer stier dan mens. Vanop dertig meter trapt hij naar doel. Een onmogelijk schot, maar de bal gaat binnen. 1-1 in de laatste seconde. Vol ongeloof zakken de Madrilenen in elkaar. Het gelijkspel betekende een replay, twee dagen later. Een ontmoedigd Madrid wordt op een hoopje gespeeld. München wint met 4-0.

Geen jeugd nodig

Het was net na het doelpunt van Schwarzenbeck dat voorzitter Vicente Calderón de beroemdste zin uit de clubgeschiedenis laat optekenen: ‘Somos El Pupas F.C.‘ We zijn het vervloekte team.

El Pupas drong de identiteit van Atleti binnen. Langzaam maar zeker gaat de club erop achteruit. Alles gaat tegenzitten. Er komt voor 2000 nog één titel, maar geen Europese successen meer. Er komen vooral tragische nederlagen en grijze seizoenen.

Geen man verpersoonlijkt die periode beter dan Jesús Gil, een politicus en misdadiger die voorzitter werd in 1987. Gil liep in zijn leven meer dan tachtig veroordelingen op. Hij was vooral bekend in Spanje omdat hij in 1969 een goedkoop complex liet bouwen dat instortte tijdens een conventie. Meer dan zestig mensen stierven door zijn gierigheid. Maar Gil had zijn lesje niet geleerd. Om de kosten te drukken zette hij de jeugdwerking van Atlético stop. Alle beloftevolle spelertjes stonden zonder pardoes op straat.

Een van die spelers heette Raúl, een 15-jarig toptalent met een hart voor Atleti. Hij groeide op in de arbeidersbuurt in de schaduw van El Calderón. Raúl werd in 1992 opgepikt door Real, en hij groeide er uit tot een legende.

Onder Gil gaat het van kwaad naar erger. Hij geeft de voorzitter van SD Compostela een klap in het gezicht en lacht met de zwarte spelers bij Ajax. ‘Het lijkt hier Congo wel. De zwartjes schieten als paddenstoelen uit de grond.’ Het team valt diep. In 2000 zakt het voor het eerst in zeventig jaar naar de tweede klasse. De voorzitter zit in dat seizoen ook nog even in de cel.

Vol huis in tweede klasse

De fans van Atlético hadden jarenlang het gevoel dat een kwade God hun club gekozen had als speelbal

In die periode krijgt de mythe van El Pupas monumentale proporties. De fans wennen aan het verlies en omarmen de nederlaag. Wanneer Atlético degradeert, stijgen de toeschouwersaantallen.

El Pupas werd veel meer dan bijgeloof. Het groeide uit tot een excuus voor spelers en bestuur om de schuld niet bij zichzelf te moeten zoeken. Analisten wierpen bijvoorbeeld op dat de energieke speelstijl van Atlético zijn tol eiste in het slotkwartier. En tegen Real verliezen door een doelpunt van Raúl was niet zomaar tragisch, het was te wijten aan het stopzetten van de jeugdwerking. Logisch te verklaren. Maar niet voor bestuur en supporters. Zij waren verblind door een verzinsel.

Gewezen spits Diego Forlán analyseert haarfijn hoe El Pupas een concreet probleem was. ‘De noodlottige sfeer deed iets met ons, met de spelers op het veld. Soms boekten we een mooie overwinning op verplaatsing, maar voelden we tijdens de week dat supporters verwachtten dat we tijdens het weekend erop zouden verliezen. Dat kroop in onze hoofden, en daardoor verlóren we ook. Elke keer als we 2-0 voor stonden, dachten we aan de week ervoor, het seizoen ervoor. We verloren van de geschiedenis.’

El Pupas was een selffulfilling prophecy. Fans en bestuur geloofden effectief in de vloek, en zo werd het een realiteit. Er was geen noodlot verantwoordelijk voor het zwakke Atlético. Neen: het waren fans, bestuur en spelers zelf.

El Cholismo

Op 23 december 2011 was Atlético net uitgeschakeld door een derdeklasser in de beker. De zoveelste coach werd ontslagen. Een nieuw dieptepunt. Op het vliegtuig naar Madrid zat echter een Argentijn met een missie. De belangrijkste man uit de clubgeschiedenis. ‘El Cholo‘, ook wel bekend als Diego Simeone, zou alles veranderen.

Simeone is een voetbalbeest. Volgens zijn familie was zijn eerste woordje niet ‘mama’, maar ‘gol’. Hij brengt de essentie van Atlético terug naar El Calderón: vechtlust, realisme en countervoetbal. Zijn impact is onmiddellijk voelbaar. De nieuwe coach loodst Atlético in zijn eerste seizoen naar de finale van de Europa League. Sterker nog: het team wint. Geen fatalisme, geen vloek, maar roem.

Simeone wist maar al te goed waar hij aan begon. Hij kende de obsessie met verlies en el Pupas. De coach begon bewust een campagne om de term te begraven. Bij elke matchbespreking klonken steeds dezelfde woorden: ‘partido a partido‘. Match per match. Het mag cliché klinken, maar in Madrid voelde het als een bevrijding. Er is geen verleden, er is enkel anderhalf uur voetbal.

Simeones nieuwe narratief werd een religie die ‘el Cholismo‘ ging heten. Vechten voor elkaar, negentig minuten lang. Verlies je, dan vergeet je wat er gebeurd is en geef je weer vol gas. Atleti klom zo snel naar de top van het Spaanse voetbal. In het tweede seizoen van Simeone pakte Atletico de beker in Santiago Bernabéu met het doelpunt van Miranda. Nu was het Real dat drie keer het doelhout raakte: zíj waren El Pupas.

Populisme

De coach heeft het opvallend vaak over de eigenwaarde van de fans. Simeone had als geen ander begrepen wat ‘El Pupas‘ deed met de supporters. De vloek was niet enkel sportief, maar ook sociaal. Atlético Madrid hangt namelijk nauw samen met hard werk en de arbeidersstrijd. Atleti is een volksclub. Dat andere team, Real, is de club van de burgerij. Het Calderón ligt in de armere wijk bij de stinkende Manzanaresrivier, tussen voetbalpleintjes en de kleine woningen van arbeiders. Het Bernabéu ligt in de zakenwijk, el Chamartín.

Voor de supporters symboliseert Real het elitaire. Het zijn de rijke, propere mensen die van arbeiders niets willen hebben. De Madrileense derby betekent voor Atlético dan ook zo veel meer: het is een strijd tegen de corrupte elite. Niet alleen in de sport, maar in het echte leven. Daarom wordt El Pupas soms vergeleken met populisme: een groep mensen ziet zich als een onderdrukt volk, onmachtig tegen de elite. Het probleem met populisme is echter dat het niet constructief is. Je wikkelt je in zelfmedelijden, bent boos, maar er verandert niets. Het is enkel anti, en niet pro.

De Atletifans schamen zich niet om de nederlaag, want enkel daar ontstaan oprechte emoties. Ze zijn echte mensen, mensen met tegenslag. Real wint misschien alles, maar zo werkt het leven niet. Op die manier werd winnen voor Atlético iets oppervlakkigs, iets onmenselijks. Typisch voor de elite. Atleti wílde zelfs niet winnen tegen Real, leek het. Ook dat is eigen aan populisme. Alles draait om de eigen identiteit van underdog. Verliezen zit zo in het DNA, dat winnen een ‘ego death‘ betekent, het verlies van de identiteit.

Maar is dat constructief? Simeone was zelf van arme komaf, maar hij kon met de noodlottige verliezersmentaliteit niet leven. Zijn idee was anders. Zolang je maar zelf gelooft dat het kan, is alles mogelijk. Ook winnen tegen Real. Toen Atlético de beker pakte tegen Real, met het doelpunt van Miranda, konden de straatvegers en poetsvrouwen in de hoofdstad met opgeheven hoofd gaan werken.

Sí, se puede‘, staat in het nieuwe stadion: ‘Ja, het kán!’ Sommige mensen zijn rijker dan jou, ze zien er beter uit en alles lijkt mee te zitten: maar jij bént iemand. Dat is het nieuwe Atleti. Meer dan een club, is het vandaag een attitude. Simeone maakt de link tussen voetbal en het sociaal gevecht vaak concreet. ‘Match per match, dag per dag. Zo leven de mensen op de straat. Als we stoppen met strijden, maken we geen kans. Maar als we alles geven, kunnen we de allergrootsten verslaan. Zien dat we Real verslaan, dat geeft de mensen hoop in het echte leven.’

Met de helikopter

Precies veertig jaar later na de geboorte van El Pupas stond Atlético opnieuw op het grootste toneel. Tegen stadsrivaal Real, in 2014. Atlético kwam op voorsprong op passende wijze: met een klungelig doelpunt. Net zoals in 1974 leek de overwinning binnen. Nog één laatste corner. Sergio Ramos torent boven iedereen uit en kopt de bal voorbij Thibaut Courtois. 1-1. Déjà vu. In de verlengingen speelt Real het moegestreden Atleti kapot. 4-1.

Atleti bleef doorgaan en bereikte opnieuw de Champoins Leaguefinale, in 2016. Opnieuw Real, of wat had u gedacht? Net als in 2014 stond het 1-1 na negentig minuten. Penalty’s moesten de beslissing brengen. Tijdens de reeks was het alsof de geschiedenis opnieuw in de benen kroop. Atletidoelman Jan Oblak pakte geen enkele bal – hij bewoog zelfs nauwelijks. Juanfran miste zijn strafschop. Real Europees kampioen. Alweer.

El Pupas is terug’, kopte een enkele krant. Natuurlijk niet. Onder Simeone is het team fundamenteel veranderd. Al is het daardoor des te tragischer dat de Champions League hen blijft ontglippen in de slotseconden.

Dit seizoen verhuisden de Madrilenen naar hun gloednieuwe arena, de Wanda Metropolitano. Niet meer in het warme Calderón bij de arbeidersbuurt, maar in een industriële buitenwijk. Een lokale politicus grapte dat supporters met de helikopter zouden moeten komen. Het doet vele fans pijn. In de evolutie van de club lijkt het echter nodig. Om duurzaam mee te doen voor de hoofdprijzen, is geld nodig. Daarvoor verkocht de club een beetje haar ziel. En daarmee ook definitief de identiteit van El Pupas, hoopt Simeone. Misschien krijgt hij gelijk. Zoniet is Atlético binnenkort een club die vroeger mooi en volks was, maar vandaag een Spaanse subtopper zonder ziel. Een riskante gok.