Opinie

Walter Pauli

André Greipel, de nukkige verliezer

Walter Pauli Redacteur Knack

Greipel zit nog in de fase van verwerking van het fenomeen-Cavendish.

Het zijn ingrediënten voor een misnoegd leven: André Greipel heten, wielrenner van professie zijn, met de sprint als specialiteit, maar nu eenmaal moeten leven in een tijdperk dat ook een zekere Mark Cavendish actief is. Greipel is minstens zo eergierig als Cavendish, maar over het algemeen net een beetje minder snel. En bovendien heeft Greipel eigenlijk een hekel aan Cavendish, en vice versa.

In de laatste ‘Belgische’ rit van de Tour de France en de eerste met een design op sprintersmaat, was het weer van dattum. Natuurlijk wilde Greipel winnen. Ten eerste omdat hij natuurlijk elke Tourrit wil meepakken die hij kan. Ten tweede omdat hij zich in een aantal kleinere rittenkoersen kort voor de Tour (Ronde van België, Ronde van Luxemburg,…) in een winning mood had gereden. Ten derde omdat het voor de kopman van een Belgische ploeg (Lotto – Belisol) naar het schijnt een bijzondere reden is om op Belgische bodem te zegevieren. Die logica ontgaat echte wielerliefhebbers een beetje – de Champs Elysées is toch veel belangrijker, en aankomsten in pakweg Bordeaux, Pau of zelfs Saint-Quentin hebben meer luister dan Tournai / Doornik. Maar het kan inderdaad dat de Nationale Loterij in België meer VIP’s kan laten aanrukken, dus wellicht ook van daar.

Iedereen zag hoe de Lotto-renners de sprint ‘in handen namen’. Er werd niet omgekeken naar Sky (Cavendish), Greenedge (Goss), Lampre (Petacchi), Rabobank (Renshaw) of Garmin (Farar). Lotto reed. Voor Greipel, voor de ritzege. Greipel werd, zoals dat heet, redelijk perfect afgezet door de Lotto-trein, met Jürgen Roelandts als ultieme piloot. Zoals een krachtsprinter betaamt ging hij heftig trappend, rechttoe-rechtaan op de streep af. Tot in de laatste meters Mark Cavendish, zonder noemenswaardige hulp, uit zijn wiel kwam en erover ging. Greipel en de Lotto hadden opzichtig hun best gedaan. Bij Cavendish lijkt het alsof winnen helemaal geen moeite kost.

Misschien is dat gepatser van de Lotto’s wel het pantser van Greipel om zijn eigen onzekerheid te maskeren. In de zondag-rit naar Seraing zag je het ook al: in de kilometers voor de slotklim gaan de Lotto’s ineens snoeihard doortrekken, met Greipel als laatste piloot voor klimmers Jelle Vanendert en Jürgen Vandenbroeck. Na de aankomst sprak men lovende woorden over elkaar, en Greipel werd bedankt alsof zijn beulswerk de prelude was geweest van een ware Lotto-demonstratie. Dat was niet zo. Weliswaar hadden de renners van de Nationale Loterij goed standgehouden tussen de sterkste renners, maar dat was het dan ook. Waarom dan dat opzichtig rollen met de spierballen?

Een gok: omdat Greipel een Cavendish-complex heeft. Bij het voormalige topteam HCT-Columbia waren ze twee jaar geleden trouwens nog elkaars ploegmaats, de nummer één (Cavendish), twee (Greipel) en drie (Goss) van de Tourrit in Doornik. Cavendish moest Greipel niet, omdat die ooit in te Vuelta te snel, te bijna-Cavendish was geweest, en hij werd feitelijk verbannen naar het B-team van die ploeg. Vandaar de transfer van Greipel naar Lotto, en zijn zin (zucht) naar revanche op Cavendish. Vorig jaar lukte dat één keer, in – het moet gezegd – een mooie, ‘rechte’ sprint. Maar dat was eigenlijk de uitzondering die de regel bevestigt: Mark Cavendish is de wereldkampioen van de laatste rechte lijn. En dat is een drama voor alle andere sprinters van het peloton. Als Cavendish mee sprint, doen ze in principe mee voor de tweede plaats. Bij oefenkoersen (en daar hoort zelfs de Giro bij), durft hij wat kruimels laten liggen, maar niet in de Tour de France. Daar wint hij wat hij kan. En hij kan meer dan alle anderen samen.

Het maakt Greipel een treurige renner. Een beetje zoals Felice Gimondi. Die mooie, ranke Italiaan had even legendarisch kunnen worden als Fausto Coppi of Gino Bartali. Ware er Merckx niet. Al op het wereldkampioen amateurs in Sallanches 1964 kan hij het wiel van Eddy Merckx niet houden. En dat duurt bijna zijn hele loopbaan door, en dat valt helemaal samen met die van de Belgische kannibaal. Desondanks won Gimondi nog de Tour, de Vuelta, driemaal de Giro, het wereldkampioenschap, Milaan-Sanremo, Parijs-Roubaix, twee keer de Ronde van Lombardije, twee keer Parijs-Brussel en zoveel wedstrijden meer. U kunt zich inbeelden hoe glorieus Gimondi’s palmares zou zijn zonder Merckx? Merckx was als Cavendish in de Tour – beter dan de rest, en van plan dat zo veel mogelijk te tonen – maar Merckx deed dat op alle terreinen, in alle wedstrijden, in alle seizoenen, zijn hele loopbaan lang. En dus zuchtte Gimondi ooit: ‘Het heeft mij jaren gekost om met het fenomeen Merckx te leren leven.’

Uiteindelijk is dat wel gelukt. Het eerste WK waar Merckx het verlies echt persoonlijk oppakt (Montjuich 1973), wint Gimondi. Het eerste voorjaar dat Merckx bij uitzondering geen klassieker wint, in 1974, doet Gimondi dat al in Milaan-Sanremo. Bij zijn eerste noodlottige inzinking in de Tour de France, op Pra-Loup 1975, is het éérst Gimondi die een uitgeputte Merckx inloopt, pas daarna de latere ritwinnaar en gele trui Bernard Thévenet. In 1976, de eerste grote Ronde uit zijn loopbaan waar Merckx niet in staat is echt mee te doen voor de eindzege, is het de oude Gimondi die wint. Felice Gimondi had met het fenomeen Merckx leren leven, en zo eerst zichzelf, en nadien uiteindelijk ook Merckx overwonnen.

Greipel zit nog in de fase van verwerking van het fenomeen-Cavendish. Vraag is of hij er ooit mee zal leren omgaan – de Duitser is een paar jaar ouder dan de Brit, voor een sprinter is het dan moeilijker de tegenstander te overleven. En dus doet André Greipel zijn Lotto’s werken, elke dag opnieuw. In de hoop op winst, in de wetenschap dat het applaus dan dubbel verdiend is. André Greipel kan dan immers pronken met een prestatie waartoe Cavendish per definitie niet in staat is: dat hij een sprinter klopte die sneller is dan hij.

Walter Pauli