Het vorige WK wielrennen in Noorwegen: Lance Armstrong wereldkampioen op ‘laag octaan’

De dan nog breedgeschouderde Lance Armstrong wordt in 1993 wereldkampioen op de weg. © BELGAIMAGE
Jonas Creteur
Jonas Creteur Redacteur bij Sport/Voetbalmagazine

Wat Louis had gedaan met zijn trompet en Neil op de maan, deed die andere Armstrong – genaamd Lance – in 1993 voor het eerst met de fiets: de wereld verbazen. Door in een uitgeregend Oslo als pas 21-jarige superman richting regenboogtrui te vliegen – weliswaar toen al op verboden kerosine. In aanloop naar het tweede WK in Noorwegen, zondag in Bergen, een terugblik.

Nog 700 meter. Even omkijken, niemand te bespeuren. Wat verder nog eens het hoofd draaien – nog steeds niemand. De buit is binnen en dus begint Lance Armstrong al op 400 meter voor de finish aan zijn triomftocht: kusjes wegblazend, wijsvingers richting hemel priemend, armen spreidend als een albatros, (bijna) zingend en dansend in de neerpletsende regen, als een fietsende Gene Kelly. Niet iedereen smaakt zijn opzichtige vertoon – ‘arrogant, verwaand’ – maar daar trekt de Texaan zich geen moer van aan: ‘Waarom moet ik zoiets rechtvaardigen? Ik doe alles met gevoel, ook zo’n zegegebaar. Daar heb ik écht niet over nagedacht. En hoort spektakel niet bij de sport?’

Zijn antwoord en aankomstfeest typeren de manier waarop Lance Armstrong het jaar ervoor, in augustus 1992, in het profpeloton is gestormd. Als een eigengereide, vuilgebekte cowboy met bolle wangen, een stierennek en de romp van een zwemmer. Een koersanalfabeet die lak heeft aan allianties, etiquette en tradities in de microkosmos van het wielrennen. Een verfrissende, opzienbarende jonge superman, gezegend met een wonderlichaam en een enorm doorzettingsvermogen. Geobsedeerd door de gedachte om een champion te worden en zoveel mogelijk geld te verdienen.

Die wilskracht toont de 20-jarige Armstrong al tijdens zijn eerste profweken, wanneer hij in de Clásica San Sebastián als allerlaatste over de eindstreep bolt, op 27 minuten van winnaar Raúl Alcalá, 11 minuten na de voorlaatste. Steendood, maar geweigerd om op te geven. Amper twee weken later spat zijn uitzonderlijk talent echter al op wanneer hij als tweede finisht in het Kampioenschap van Zürich, 15 seconden na de solerende Vjatsjeslav Jekimov. Ook het volgende seizoen slaat de Amerikaan zijn met bladgoud belegde vleugels uit: in Parijs-Nice, waarin hij zowat elke dag de boel op stelten zet, eindigt hij als negende, in de VS wint hij de nationale titel én de drie koersen van de Triple Crown, wat hem een (voor het wielrennen) nooit geziene geldprijs van één miljoen dollar oplevert – mede door andere renners te betalen voor hun ‘medewerking’.

In de nog veel belangrijkere Tour de France behaalt Armstrong bovendien, in Verdun, zijn eerste ritzege. Iets wat de Texaan, de zelfzekerheid in persoon, vooraf ook voorspeld heeft aan zijn Motorolaploegleider Hennie Kuiper. Achteraf verklaart hij, zonder verpinken: ‘Ik een tweede Greg LeMond? Neen, ik ben de eerste Lance Armstrong.’

Fysiek fenomeen

Die etappeoverwinning bevestigt wat ze bij Motorola al langer weten: dat de ex-triatleet een fenomeen is, qua fysieke capaciteiten behoort hij tot de top vijf procent van álle Amerikaanse topsporters. Teamdokter Max Testa, nu coach van Greg Van Avermaet bij BMC, en Motorolamanager Jim Ochowicz, de grote baas van BMC, stippelen na die Tour – waarin ze Armstrong vroegtijdig laten opgeven om hem niet te verbranden – een nieuwe weg uit, richting het WK eind augustus in Oslo. ‘Hij kan wereldkampioen worden’, beseffen ze. Maar ook enigszins bezorgd: ‘Stél dat Lance die titel pakt, op zijn pas 21e, wat zal hem dán overkomen?’

Op het podium denkt Armstrong aan zijn jeugdjaren, toen hij naar de Spelen keek en ervan droomde ooit op die hoogste trede te staan.

Testa laat de Amerikaan in zijn Europese uitvalsbasis aan het Italiaanse Comomeer nauwgezet een trainingsschema volgen. Om zijn explosiviteit – ‘Als ik op mijn fluitje blies, moest Lance zo hard mogelijk naar boven sprinten’ – en zijn uithouding op te krikken, om een ruim zes uur durend WK aan te kunnen. Dat werpt in de Wereldbekerraces in augustus al vruchten af: in het Kampioenschap van Zürich is Armstrong weer een van de besten, alleen vliegt hij rond als een kip zonder kop: ‘slechts’ 14e. Een les die de altijd onstuimige cowboy – ‘Zelfs als ik boodschappen doe met de fiets, spurt ik naar de winkel’ – moet leren voor het WK, prenten Ochowicz en Kuiper hem in. Het devies voor Oslo: attent vooraan koersen, maar wachten, wachten en nog eens wachten. Om pas in de laatste twee ronden toe te slaan.

Van die tactiek raakt ook hun poulain overtuigd wanneer een Belgische journalist vooraf vlakaf zijn mening verkondigt: ‘Lance, na Zürich denkt iedereen dat je sterk genoeg bent om de wereldtitel te pakken, maar niemand vindt je slim genoeg.’ Armstrong: ‘Ik geloofde mijn oren niet. ‘Dat zullen we dan nog wel eens zien’, zei ik hem.’

De week voor het WK is de praatvaar stiller en nog meer gefocust geworden. Hij legt, in zijn eentje, nog een laatste monstertraining af van 240 kilometer, waarbij hij elk uur stopt voor een cola en een Snickers – toen Armstrongs ‘sportvoeding’. Mentaal krijgt de Texaan de ochtend van het WK een nieuwe boost wanneer Pluvius de regensluizen heeft opengezet en die nog de hele dag zal openhouden. Hondenweer waar de Amerikaan op kickt – zo zal ook in zijn latere Tourcarrière blijken (herinner u zijn raids richting Sestrière en Hautacam) – en waarbij het moreel van de helft van het peloton al verkruimelt.

Op de koop toe is er op de 18,4 kilometer lange omloop in Oslo vers asfalt aangelegd. Dat maakt het parcours, mede door de eerste regen die week, spekglad, met name in de afdalingen van de Ryenberg en Ekeberg. Al in de eerste ronde lijkt het alsof een bowlingbal van een paar meter omtrek door het peloton is gestuiterd. Vele renners rollen over de grond, onder meer de Italiaanse topfavorieten Moreno Argentin en Maurizio Fondriest. Titelverdediger Gianni Bugno, een slechte stuurman, stopt zelfs aan de boxen om lucht uit zijn banden te laten en geeft later ontmoedigd op. Ook Armstrong kust in de chaos enkele keren het asfalt, maar hij kan met behulp van zijn ploegmaats telkens terugkeren in het peloton, zonder veel energieverlies.

Tactisch slim

De finale met de renners die de regen nog niet heeft weggespoeld – uiteindelijk arriveren 66 van de 170 deelnemers – wordt ingeleid door Claudio Chiappucci. Eerst sluiten Gérard Rué en Frans Maassen aan, daarna Miguel Indurain, nog wat verderop Armstrong, Olaf Ludwig, Bjarne Riis, Dag-Otto Lauritzen, Andrej Tsjmil en Marco Giovanetti. In de voorlaatste ronde rijden tien mannen voorop, zonder een Belg. Kopman Johan Museeuw, dat jaar al winnaar van de Ronde van Vlaanderen, ruikt het gevaar en rijdt het gat alleen dicht.

Net voor de slotronde versnellen Lauritzen, de lokale held, en Maassen. Wanneer de Noor de Nederlander achterlaat op de Ryenberg, grijpt Armstrong eindelijk zijn kans, gebruikmakend van de passiviteit bij de achtervolgers. ‘Ik wíst dat ik op dat moment moest gaan’, de tactiek van Kuiper en Ochowicz in gedachten. Op de top halen de Amerikaan en Maasen Lauritzen weer bij. Voor hen: een spiegelgladde afdaling richting laatste klim, de Ekeberg, waar Armstrong als een skiër op twee wielen induikt. ‘Toen de weg weer bergop liep, heb ik omgekeken. Niemand te zien, ik ben voluit doorgegaan. Alleen twijfelde ik toen of ik in de laatste of voorlaatste ronde zat. Ik checkte mijn kilometertellertje: 250. Nog zeven tot de eindstreep. Toen begon ik erin te geloven.’

De Texaan vergroot zijn voorsprong in de afdaling richting de finish van tien naar twintig seconden. Bij de achtervolgers smeekt Johan Museeuw zijn GB-MG-ploeggenoot Andrei Tsjmil om het gat te dichten, maar die schudt het hoofd: ‘Ik rijd voor Moldavië.’ Tegen de directieven in van Patrick Lefevere, sportdirecteur van GB-MG, die enkele dagen voor het WK bij al zijn renners is langsgegaan en hen op hun ‘plichten’ heeft gewezen. Tsjmil, die al het hele seizoen streefde naar het kopmanschap, maar dat nooit kreeg, heeft echter al bij Lotto getekend. Zijn weigering betekent het begin van een jarenlange vete met Museeuw. Die ziet in Oslo niet alleen de regenboogtrui wegglippen, maar ook het zilver wanneer hij in de sprint achter Armstrong al vanop 350 meter aanzet en compleet stilvalt. Indurain en Ludwig snellen hem in extremis voorbij, Tsjmil eindigt als zesde…

Armstrong is dan al aan zijn feestje begonnen, als de op twee na jongste wereldkampioen ooit – met zijn 21 jaar 11 maanden en 11 dagen nog iets ouder dan de Belgen Karel Kaers (1934) en Jempi Monseré (1970). Vijftig meter na de eindstreep bolt hij uit in de armen van moeder Linda. Zij heeft ruim zes uur, zonder een vin te verroeren, naar het reuzenscherm aan de aankomst getuurd, met steeds groeiende verbazing en emoties. ‘Even groot als bij de geboorte van Lance.’

De Tour kan ik niet winnen. Daarvoor weeg ik te veel en is mijn aanvalsdrift te groot

Op het podium, met de regenboogtrui strak gespannen over zijn brede borstkas, denkt Armstrong aan zijn jeugdjaren, toen hij naar de Olympische Spelen op tv keek en ervan droomde om ooit op die hoogste trede te staan, luisterend naar het Amerikaanse volkslied. Maar ook aan de moeilijke weg die hij heeft afgelegd, als zoon van een single tienermoeder die zich uit de naad moest werken om hem een redelijk leven te geven. Op de persconferentie is zij dan ook hét gespreksthema. ‘Mijn moeder is mijn vriendin, coach, verzorgster, chauffeur, mijn álles. Thanks, mom.

Achter in de zaal pinkt Linda een zoveelste traantje weg, terwijl zoon Lance de internationale pers entertaint, als een spraakwaterval zo groot als de Niagara. Opnieuw zijn de vergelijkingen met Greg LeMond, in 1983 op zijn 22e wereldkampioen en later drievoudig Tourwinnaar, niet van de lucht. ‘Mijn computer heeft geen LeMondprogramma, ik heb er zelf een in elkaar gebokst’, lacht Armstrong elke parallel weg. Ook over zijn toekomst is hij duidelijk. ‘De Tour kan ik niet winnen. Daarvoor weeg ik te veel en is mijn aanvalsdrift te groot – ik kan geen drie weken doseren. Ik mik veeleer op een palmares à la Sean Kelly, met veel klassieke zeges.’

Hi king

Na de persconferentie blijkt nogmaals hoe groot Armstrongs liefde voor zijn moeder is, wanneer een vertegenwoordiger van de Noorse koning Harald V ploegdokter Max Testa aanklampt. Harald heeft als groot sportfan, en in het gezelschap van andere royalty’s (onder meer koningin Beatrix van Nederland en koning Juan Carlos van Spanje), de finale gezien op de tribune en wil de nieuwe wielergod feliciteren. Armstrongs antwoord: ‘Max, ik wil de koning niet zien, de koning wil mij ontmoeten. Als hij dat wil, gaat mijn moeder mee.’ Wanneer de koninklijke gezant weigert, blijft de Amerikaan op zijn regenboogstrepen staan: ‘It’s me and my mom, or nothing…‘ Dan nog niet beseffend dat er ook Noors bloed door zijn aderen stroomt, want zijn overgrootouders Martin en Marie Gunderson ruilden eind 19e eeuw Noorwegen voor de VS.

Even later keert de gezant terug. Armstrong én diens moeder zijn welkom. Hoewel de jonge Lance toch wat zenuwachtig is, begroet hij Harald V op de receptie op zijn eigen tactloze manier: ‘Hi, king!‘, waarop hij hem bedankt voor de interesse en zegt dat hij ooit zal terugkomen naar Oslo. ‘Een mooie stad om nog eens lekker doorheen te fietsen. Maar dan graag zonder plenzende regen.’

Een stad om te feesten ook, want ’s avonds bouwen de Amerikanen in hun hotel een stevige party. In schril contract met het kamp van de Belgen, in datzelfde hotel. Daar is de teleurstelling om Museeuws gemiste kans groot. Later die nacht botsen de Belg en de Texaan nog eens op elkaar, in een bar in Oslo. Ze raken aan de praat en verzetten nog flink wat glazen bier.

Een ontmoeting met een andere Belg vindt nog later plaats, wanneer Michel Wuyts, journalist van de (toenmalige) BRT, op weg naar zijn hotel op een bank in een parkje een jongeman in een kletsnat T-shirt en met een cowboyhoed ziet mijmeren: Lance Armstrong. ‘Velen zullen je snel als een big champion bestempelen’, complimenteert Wuyts hem. Waarop die met fletse ogen en oprecht zegt: ‘Neen, helemaal niet. Ik heb nog een pak te leren. Ik ben nog altijd een kind.’

Een eenvoudige jongen die op zijn 21e de regenboogtrui heeft aangetrokken en diep in de nacht even zijn masker als hyperambitieuze spring-in-’t-veld afzet. Een bodemloze ambitie die hem zes jaar later zal omturnen tot een niets ontziende, meedogenloze machtswellusteling, leugenaar en dopingzondaar. Ondanks zijn herstel van teelbalkanker bereid tot álles om zijn jongensdroom – als champion het Amerikaanse volkslied horen – in een andere koers waar te maken. Tot zeven keer toe.

Op het podium denkt Armstrong aan zijn jeugdjaren, toen hij naar de Spelen keek en ervan droomde ooit op die hoogste trede te staan.

Ook in Oslo gedopeerd

Wanneer het Amerikaans dopingagentschap USADA Lance Armstrong in het najaar van 2013 definitief aan de galg hangt als dopingzondaar, doet de ex-renner nog een andere bekentenis: dat hij al op het WK in Oslo niet helemaal zuiver was. ‘In die periode reed iedereen nog op een ‘laag octaangehalte’. De voorbije dagen las ik de verhalen van Michael Rasmussen en Rolf Sørensen. Dat was toen de norm. Ik ken Rasmussens motivatie niet, al heeft hij het wel bij het rechte eind.’

Eerder had Rasmussen verklaard dat Sørensen hem het verboden cortisoneproduct Synacthen leerde kennen, een middel dat al decennialang in de obscure wielerapotheek te vinden is, maar pas sinds 2006 kan worden opgespoord. Synacthen prikkelt de bijnieren om glucocorticoïden (steroïdehormonen) te produceren, en neemt zo de pijn weg tijdens zware ritten.

In het voorjaar van 2014, enkele maanden na Armstrongs halve bekentenis, schreef Juliet Macur, journaliste van de NY Times, in haar boek Cycle of Liesdat de zevenvoudige ex-Tourwinnaar aan haar heeft verteld dat het ‘laag octaan’-gebruik ging om Synacthen. Dat zou hij gekregen hebben van dokter Max Testa en gebruikt hebben voor en tijdens het WK.

Volgens Macur, op basis van getuigenissen van Armstrongs ex-verzorgers, zou die zelfs al in 1992 ‘allerlei verboden substanties’ hebben gebruikt. Maar de Texaan is naar eigen zeggen pas in 1995, samen met de hele Motorolaploeg, overgeschakeld naar benzine met een ‘hoog octaan’-gehalte (onder meer bloeddoping).

Volgens hem had in de winter van 1993 immers ‘een aardverschuiving’ plaatsgevonden in het peloton, waarop hij in 1994, ondanks een tweede plaats in Luik-Bastenaken-Luik, als wereldkampioen lijdzaam moest toekijken hoe onder meer de Gewissploeg in de Ardense klassiekers het hele peloton aan flarden reed. Tien jaar later deed Armstrong met zijn US Postalteam hetzelfde…

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier