Opinie

Walter Pauli

Mark Cavendish, of hoogmoed en de val

Walter Pauli Redacteur Knack

De parallel tussen de eerste rit van de Tour de France van 2011 en die van 2012 kon niet groter zijn.

Tweede massasprint in Rouen, maar geen tweede zege voor Mark Cavendish. Zijn Duitse uitdager André Griepel won. Omdat Cavendish er niet bij was, natuurlijk. Dat is natuurlijk niet helemaal eerlijk, maar wat is dat wel in topsport? Greipel won omdat hij recht bleef en, vooral, vooraan reed in het peloton. Er werd àchter hem gevallen. Dat is niet alleen een verdienste, maar ook een wetmatigheid. Hoe meer naar voor een renner rijdt (kàn rijden), hoe minder kans op valpartijen, hoe groter de wetenschap dat hij zonder kleurscheuren en schaafwonden de finish bereikt. Dat was de vorig jaren ook de sterkte van Cavendish: zijn indrukwekkende ‘ trein’ reed voortdurend vooraan – ‘nam zijn verantwoordelijkheid’, zoals dat soms te plechtig wordt uitgedrukt – en voor de rest gebeurde veel achter zijn rug. Men probeerde op zijn wiel te komen, zijn trein te ontregelen, hem voorbij te gaan in de sprint. Dus werd er achter hem gebikkeld, geknokt, geduwd, gewrongen. En gevallen. Nu heeft Greipel een trein. Hoe wild er ook over gedaan wordt, die lijkt nog altijd een tikje minder snel dan die van de wereldkampioen van vorig jaar, net zoals Greipel zelf intrinsiek net dat kwart procentje mist dat Cavendish wel heeft. Maar voorlopig is er dit jaar in de vlakke ritten (met vlakke aankomst, anders is Sagan present) wel geen andere HST die sneller is of indrukwekkender en dus succesrijker dan die van de Nationale Loterij.

Een valpartij in het Tourpeloton behoort oveigens tot de vaste ingrediënten van de sport. En spectaculair is het wel: eerst vliegen fietsen, vervolgens ook renners door de lucht, en dat kwakt dan allemaal tegen het asfalt. Chaos, kijken wie er neer ligt, even inzoomen op een bekende naam of een renner die er toch merkwaardig stil bijligt. Maar voor we ‘het zal toch niet te erg zijn’ gepreveld hebben, kijken we al weer verder, naar de kopgroep of wat er van overblijft dat naar de aankomst zoeft. Organisatoren, pers en publiek, renners en ploegleiders, allen ‘aanvaarden’ die massale valpartijen, en legitimeren dus ook het gevaar dat er aan verbonden is.

Het is stilaan een variant op het Keirin van de piste: dat is een uit Japan overgewaaide manier van sprinter, waar renners met de hoofden tegen elkaar mogen duwen, vandaar dat ze zo’n opzichte helmen ophebben. In het wielrennen zat het ‘kwakken’ en ‘stoten’ er al van voor de Tweede Wereldoorlog in, maar het is pas in de jaren zeventig tot een kunst of alleszins een wapen verheven, toen de infame Italiaan Marino Basso de massasprints teisterde. Het was een tijd dat de valhelm nog niet verplicht was, en dus zette niemand zo’n ding op, ook al bestond ‘een helm’ toen uit een eigenaardig en weinig beschermend hoofddeksel met wat riempjes. Basso liet zich dan ostentatief uitzakken tot de volgwagen, en kwam dan terug met zijn valhelm op. Het signaal: jongens, ik ben klaar om tot het uiterste te gaan. Psychologische intimidatie, als voorbode van het fysieke trek- en duwwerk. Dat is er niet minder op geworden. Als het té opzichtig gebeurt – dat wil zeggen: in het oog van de tv-camera’s – wil de jury nog wel ingrijpen. In 2010 werd de Australiër Mark Renshaw uit koers genomen na een reeks kopstoten tegen de Nieuw-Zeelander Julian Dean. Renshaw was ‘piloot’ voor Mark Cavendish, Dean was de rabauw in dienst van Tyler Farrar.

Dit jaar betaalt Cavendish cash voor de strategie van zijn nieuwe ploeg. Voorheen was HCT eigenlijk volledig rond hem gebouwd. Zelfs betere klimmers als Maxime Montfort stonden in dienst van de snelste man van het peloton. In 2009 was er in de rit naar Aubenas kort voor de finish een col van tweede categorie, ‘with a little help from his friends’ raakte Cavendish daar ook over, om in de sprint als vanzelfsprekend de snelste te zijn, de eerste. Toen hij voor Team Sky koos, zal hij misschien niet hebben kunnen vermoeden dat zijn nieuwe teammaat Bradley Wiggins zo nadrukkelijk in een favorietenrol voor de Tour zou komen. Dat komt door Wiggins’ eigen prestaties. In één seizoen Parijs-Nice, de Ronde van Romandië en de Dauphiné Liberé winnen is exceptioneel, wie zo nadrukkelijk zichzelf kroonde tot koning van de zware rittenkoersen, kan niet anders dan een gooi doen naar heerschappij in de Tour de France. En dat wordt versterkt door het grote aantal forfaits. Dit jaar zijn de twee renners afwezig die de voorbije drie Tours hebben gedomineerd, Alberto Contador en Andy Schleck. Dat reduceert het kransje absolute topfavorieten tot amper twee (tourwinnaar Cadel Evans, opponent Bradley Wiggings), maximum drie (Fränck Schleck dan maar), plus een resem outsiders waarvan de meesten meer mikken op het podium dan dat ze zich écht toespitsen op Tourwinst. Het verschil is eenvoudig: als Evans en Wiggins de Tour niet winnen, hebben ze hem verloren. Bij al de anderen is dat niet zo.

Maar dus zit Cavendish wat in de tang. Bij het uiteenvallen van HCT bleek het niet mogelijk de oude kern samen te houden. Mark Renshaw, zo veel jaren zijn buddy, rijdt bijvoorbeeld voor eigen rekening bij Rabobank. Zodat Team Sky de pionnen moet verdelen over één van de absolute Tourfavorieten, en de beste sprinter. De keuze viel eigenlijk op Wiggins. Cavendish heeft zijn man, de onverschrokken Bernhard Eisel, en dan is er nog Edvald Boasson Hagen, maar die is te goed om alleen maar te knechten en rijdt ook voor eigen rekening. En dus doet hij waarin Robbie McEwen zo goed was: niet zelf een trein opzetten, maar op het laatste moment inpikken bij de trein van een ander. Bij Greipel. In theorie zijn McEwen en Cavendish gelijkaardige types van sprinters: klein, sterk, in staat tot een fameuze eindjump, de ‘versnelling in de versnelling’. In de praktijk is Cavendish natuurlijk de luxe van de trein gewoon, de dienstbaarheid aan zijn persoon. Ook op het WK in Kopenhagen vorig jaar reden àlle leden van de Britse landenploeg voluit in zijn dienst, ook die niet tot zijn professionele team hoorden. Ook al is Mark Cavendish één en al working class hero, hij werd bediend en verzorgd als een echte Sir Mark. Als Cavendish al gedacht zou hebben dat het zonder die structuur even gemakkelijk zou lopen dan met, heeft hij zich niet zo maar vergist, dan was hij hovaardig. En, zoals hij gisteren zelf mocht ervaren, hoogmoed komt voor de val.

Het is een keuze die in de loop der jaren veel teams hebben moeten maken. En hoewel er wat uitzonderingen zijn, is de vaste regel: wie niet kiest, verliest. Of men wedt op de sprint, of op het klassement. Mario Cipollini liet de hele ploeg in zijn dienst rijden, en bouwde de ’trein’ om tot een indrukwekkende machine. Lance Armstrong, Miguel Indurain of Bernard Hinault moesten nooit een sprinter hebben. Eddy Merckx soms wel: in zijn eerste Tour was Guido Reybroeck (1969) een ploegmaat, in zijn laatste (1977) zijn vriend Patrick Sercu.

Lotto probeert inderdaad ook op twee paarden te wedden, met Greipel en zijn vier vaste helpers, en het duo Jürgen Vandenbroeck en Jelle Vanendert. Er is nog Francis De Greef, helper voor de moeilijke ritten, maar gisteren ook de hele dag in het getouw voor Greipel. Dat is niet echt luxueus voor Vandenbroeck. Maar het kan, want er is een verschil om voortdurend bij de andere topvedetten te kunnen blijven (Vandenbroecks ambitie), en hen duidelijk te verslaan (Wiggins’ intentie). Of het werkt, is nog afwachten. Misschien wint Wiggings, staat Vandenbrouck op het podium, wint Griepel nog een rit en Cavendish nog drie, en dan vallen samen met Mark Cavendish alle theorieën over al dan niet kiezen in duigen. Ploegen doen er alles aan om de wedstrijd onder controle te krijgen, en tch gebeurt het zelden zoals ze planden. Zo is het leven, en zo is de koers.

Walter Pauli