Opinie

Walter Pauli

Robert Gesink, waarom verliezers nooit mogen wanhopen

Walter Pauli Redacteur Knack

Het is niet nodig dat Robert Gesink nu als een wildeman de aanvalstrom roert. Hij moet er enkel voor zorgen geen tijd meer te verliezen.

Het medisch bulletin van de valpartij die 25 kilometer voor de finish in Metz het peloton teisterde, leest als het rapport na een zwaar auto-ongeval. Maarten Wynants: twee gebroken ribben, één geperforeerde long. Tom Danielson: verloor het bewustzijn, blessures aan beide schouders. Wout Poels: drie gebroken ribben, lever en milt gekwetst. Oscar Freire: één gebroken rib, een geperforeerde long. Davide Vignano: lange tijd bewegingsloos, met een nekverband afgevoerd naar het ziekenhuis. Euskaltel-renners Mikel Asterloa en Amets Txurruka: hetzelfde. Kwamen nog aan de aankomst maar niet meer aan de start: Giro-winnaar Ryder Hesjedahl, de Movistar-mannen José Ivan Guttierez en Imanol Irvieti. De teller staat op tien. Eén valpartij, tien renners liggen eruit. Zo’n tol is zelden gezien.

Een valpartij ditmaal op een kaarsrecht stuk weg, zo ver het oog reikt geen bocht te zien. Maar het was ‘glooiend landschap’, zoals dat heet, de weg daalde, het peloton haalde een snelheid van 70 kilometer per uur. Dat is sowieso gevaarlijk. Brommertjes halen die snelheid pas als ze flink opgefokt zijn. Tourrenners doen het per fiets. Op dat ogenblik doet Petacchi wat hij in zijn lange loopbaan al honderden keren deed, routineus en professioneel. Met het oog op de finale, ontdoet hij zich van ballast. In dit geval: zijn schoenovertrekjes. Hij geeft ze aan ploegmaat Vignano. En vervolgens kwakt het peloton aan deze rotvaart tegen het asfalt. Deze generatie renners draagt altijd de valhelm, dat is het punt niet meer. Maar die beschermt de nek van de drager niet, zo blijkt, noch zijn schouders, ribben, lever of milt.

Profrenners zijn een aparte soort, en ploegleiders (vaak oud-renners) niet veel beter. Dus ze zijn misschien wel boos om de valpartij, en bezorgd om hun renners. Vacansoleil-eigenaar Daan Luijkx (ook een ex-prof) was zo wijs om Wout Poels van zijn fiets te halen: die was half-bewusteloos en krimpend van de pijn gewoon verder aan het rijden. Maar over het algemeen regeert volgend sentiment: valpartijen en de bijhorende opgaves zijn natuurlijk erg, maar ze horen bij het vak. Johan Vansummeren kroop terug op zijn fiets. Alles was gescheurd, zijn heel lijf geschramd, overal bloed en wonden. Conclusie na het medisch onderzoek: “Er is niets gebroken. Johan kan starten.” En zelfs als er een een niet zo essentieel botje breekt – zoals bij tijdrijder Tony Martin – dat wordt hij flink ingetaped, en aangemaand om mannelijk te zijn, de pijn te verbijten. Een week of zo, dan is er de eerste grote tijdrit waarop Martin zijn zinnen zette.

En zo komt het dat niet alleen de opgaves en kwetsuren over de tong gingen, en verlies van renners, maar vooral het tijdverlies. Dààr komt het in deze Tour uiteindelijk op aan. Met een man minder aan de streep is sneu, voor de renner maar niet in het minst voor kopman en ploeg, maar daarom is de Tour nog niet om zeep. Met een of meerdere minuten verloren is dat wél het geval. En dus was het bij Rabobank balen dat Robert Gesink, wéér hij, alweer kostbare minuten verloor op de kopman, en Bauke Mollema ook. Mollema gaf 2’09” prijs, Gesink zelf 3’31”. “Alle dromen ontnomen”, was de wanhopige commentaar bij de Nederlandse ploeg. Vat het maar samen als: een man minder is geen man overboord, een minuut kwijt is dat wel. Ettelijke minuten kwijt is een catastrofe.

En toch. Toch moet Gesink vooral niet panikeren, laat staan moedeloos worden. Zeker, hij heeft iets van een bleke renner. “Un atlète pâle”, zou wijlen Jan Wauters zeggen, dat frêle type met de fraaie pedaalslag en het afgetrainde lijf. Sterke, en tegelijk broze atleten, want zo vatbaar voor tegenslag, gelijk of het van fysieke of psychische aard is. Gesink beantwoordt er ten volle aan. Hij kan knokken en zichzelf overwinnen als geen ander. Hij moest de schok verwerken van de plotse dood van zijn vader, hij trainde de gevolgen van een zware heupbreuk weg, won zelfs de lastige Ronde van Californië, en toonde welk talent hij is, wat voor een karakter hij heeft. Tot, ineens, het te veel was. Vorig jaar tijdens de Tour was ineens de weerstand weg. Om vele redenen, maar het ging niet meer. Ook dit jaar moet hij het hoofd niet buigen, maar dat hoofd bieden aan crisis en tegenslag.

Waarom ook niet. Zijn ambitie was het podium te halen. Ook al wordt dat inderdaad moeilijker, het kan nog allemaal. In 1999 was er ook een beruchte massale valpartij, in de rit naar Saint-Nazaire die het peloton over de glibberige Passage du Gois voerde. Marc Wauters en Jonathan Vaughters braken hun sleutelbeen, tientallen renners lagen tegen de grond en zelfs in het water (die Passage loopt door zee, vandaar). Er werd, net zoals de kopgroep naar Metz, nog ontzettend hard gekoerst na die val, en er liepen pelotonnetjes binnen op vijf, negen en zelfs negentien minuten van de kopgroep. In het groepje dat vijf minuten prijsgaf, zat Alex Zülle. Een kleine drie weken later stond Zülle op de tweede plaats in Parijs. Had hij toegeslagen in een lange ontsnapping? Had hij in elke rit tijd gaan rapen op de andere vedetten? Neen. Alex Zülle heeft niet één grote aanval opgezet. Hij slaagde er wel in voortdurend op de eerste – de allereerste – rij mee te doen. Hij werd tweede in de eerste grote tijdrit te Metz, tweede in de eerste Alpenrit naar Sestrière, vierde in de tweede Alpenrit naar L’Alpe d’Huez, tweede in de grote Pyreneeënrit (tegelijk de koninginnerit van die Tour) naar Piau-Engaly, tiende in de tweede Pyreneeënrit naar Pau (een groep van vijf ongevaarlijke vluchters bezette die dag de eerste plaatsen) en tweede in de ultieme tijdrit in Futuroscope.

Hopelijk kan Robert Gesink er moed uit halen. Het is niet nodig als een wildeman de aanvalstrom te roeren. Hij moet er nu voor zorgen geen tijd meer te verliezen. In de wetenschap dat elke Tourrenner ergens wel eens een steek (steken) laat vallen, moet hij koersen met de gedachte dat hij zijn ‘malus’ al genomen heeft. Als hij zo sterk is als in Californië leek, zou dat moeten kunnen. En dan ziet Robert Gesink wel hoe hoog en ver hij raakt.

Walter Pauli