Van Sir Oppy tot The Pocket Rocket: welkom in de Australische wielerwereld

Net als in de Cadel Evans Road Race zullen de renners ook in het WK langs prachtige kuststroken rijden. © GETTY

Hoewel Australië pas voor de tweede keer de wereldkampioenschappen mag ontvangen, heeft het land een rijke wielertraditie die verrassend ver teruggaat. Het WK in Wollongong moet een volgende generatie aan het dromen zetten.

‘Gilbert komt van ver. Gilbert komt van heel ver. Breschel gaat hem vooraf. Van Avermaet trekt zich los. Van Avermaet trekt zich los maar wordt overruled. Hushovd! Hushovd komt. En is dat Allan Davis die daar ook komt? Het is Hushovd die wereldkampioen gaat worden. Thor Hushovd gaat wereldkampioen worden. Thor Hushovd wordt wereldkampioen!’

Op een zonnige oktoberdag leveren Michel Wuyts en Karl Vannieuwkerke commentaar bij de ontknoping van het WK 2010. Topfavoriet Philippe Gilbert is met een snedige demarrage weggesprongen bij de laatste passage over Challambra Hill en doet de VRT-commentatoren al dromen: ‘Zelden heeft een gat zoveel zicht op een zege geboden.’ Maar felle tegenwind bederft de pret: op zowat drie kilometer van de finish is Gilbert eraan voor de moeite. Een groep van een twintigtal renners mag sprinten voor goud. De wereldtitel gaat voor het eerst naar een Noor.

Het WK in Geelong twaalf jaar geleden was het eerste ooit op Australische bodem. Bij uitbreiding verscheen Oceanië als gastcontinent pas laat op de regenboogkaart. De wereldkampioenschappen waren al bijna een eeuw oud – de eerste editie (voor amateurs) dateert van 1921 – toen down-under aan de beurt was. Andere werelddelen, buiten bakermat Europa, waren al veel eerder de revue gepasseerd: Noord-Amerika (Montreal, Canada) voor het eerst in 1974, Zuid-Amerika (San Cristóbal, Venezuela) in 1977 en Azië (Utsunomiya, Japan) in 1990. Alleen Afrika mocht de regenboogstrijd nog nooit ontvangen. Die primeur is voorzien voor 2025 (Kigali, Rwanda).

Nochtans gaat de geschiedenis van het Australische wielrennen al ver terug. Eind negentiende eeuw al werden wielerclubs gesticht. De allereerste was de Melbourne Bicycle Club in 1878, niet toevallig in Victoria, de deelstaat die voor heel wat Australische wielerprimeurs garant zou staan.

Zeker op de piste gonsde het eind negentiende eeuw al van de bedrijvigheid. De populariteit van het baanwielrennen groeide naarmate het zich verspreidde van de onverharde pistes in de Australische bush naar het gras van de Melbourne Cricket Ground en de Adelaide Oval. Baanraces werden gehouden in de marge van cricketwedstrijden, atletiekmeetings en landbouwshows, voor tienduizenden toeschouwers.

Maar ook op de weg werd in die pioniersjaren al competitiewielrennen beoefend. Zo werd, ongeveer een kwarteeuw na het ontstaan van de eerste wegwedstrijden in Europa, in 1895 Melbourne-Warrnambool boven de doopvont gehouden, een eendagswedstrijd die ook door Geelong passeert. In februari jongstleden was deze koers, die tegenwoordig niet meer op de UCI- maar op de nationale kalender staat, aan zijn 106e editie toe. Het is de op drie na oudste nog bestaande wegwedstrijd, na Milaan-Turijn (1876), Luik-Bastenaken-Luik (1892) en de Brussels Cycling Classic (vroeger Parijs-Brussel, 1893). Flirtend met de 300 kilometer was The Warrnambool ook vele jaren de langste eendagswedstrijd ter wereld, al is de afstand inmiddels herleid tot 266 kilometer. Onder de vier Europeanen op de erelijst één Belg: Oost-Vlaming Bart Heirewegh, winnaar in 1998.

Sir Hubert Opperman was een van de pioniers van het Australische wielrennen.
Sir Hubert Opperman was een van de pioniers van het Australische wielrennen.© FOTO: GETTY
Wegbereiders

Zo verwonderlijk is het dus niet dat Australië het eerste niet-Europese land was dat renners afvaardigde naar de mondiale titelstrijd. In 1935 reizen drie ’tegenvoeters’ af naar het Waalse Floreffe voor de negende regenboogstrijd bij de profs, een kampioenschap dat wordt gewonnen door Brusselaar Jean Aerts. De enige Australiër die die dag de finish bereikt, op de achtste plaats, is niet de minste: hij zal uitgroeien tot een icoon van de Australische wielersport.

Hubert Opperman, geboren in 1904, heeft in de jaren 20 vier keer de Australische titel op de weg behaald en in zijn thuisstaat Victoria drie keer de snelste tijd in The Warrnambool neergezet. Maar vooral ook heeft hij naam gemaakt als een van de eerste Australische renners die zich met de Europeanen gingen meten op het Oude Continent. In eigen land kende hij immers amper tegenstand.

Samen met twee minder ervaren renners uit Victoria en een Nieuw-Zeelander schrijft Opperman zich in 1928 voor het eerst in voor de Tour de France, geïnspireerd door de avonturen van de eveneens uit Victoria afkomstige Duncan Kirkham en Iddo Munro. Don Kirkham en Snowy Munro hebben in 1914 het pad geëffend door als eerste Australiërs aan de Tour deel te nemen. Beiden bereikten ook de finish in Parijs, respectievelijk als zeventiende en twintigste, maar hadden geen opvolging meer gekregen.

Opperman levert met zijn achttiende plaats een prestatie in de lijn van zijn twee voorgangers. Daarbij steelt hij ook het hart van het Franse publiek, dat hem vervolgens tijdens pistemeetings in Parijs helemaal in de armen sluit: de Australiër wordt dat jaar door de lezers van de organiserende sportkrant L’Auto verkozen tot populairste sportman.

Oppy, zoals hij liefkozend wordt genoemd, is een man van de lange adem. In 1931, na zijn twaalfde plaats bij zijn tweede en laatste Tourdeelname, schrijft hij de legendarische langeafstandskoers Parijs-Brest-Parijs op zijn naam. Opperman zit daarvoor bijna vijftig uur op de fiets. De 1186 kilometer legt hij af met een gemiddelde van 24 kilometer per uur.

Ook na zijn dertigste blijft Opperman furore maken als marathonman. Hij verbetert talloze records, waarvan het meest indrukwekkende misschien wel de 24 uren met gangmaker op de piste. Hij komt uit op een afstand van 1384 kilometer, ofwel 57,7 kilometer per uur gemiddeld.

Opperman is van verschillende markten thuis. Nadat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog als jachtpiloot de Australische luchtmacht heeft gediend, bouwt hij een politieke carrière uit, die hem in de jaren 60 in de liberale regering verschillende ministerportefeuilles oplevert. Ook wordt hij door de Britse koningin Elizabeth II geridderd, waardoor hij de titel Sir mag dragen.

In 1996, een maand voor zijn 92e verjaardag, komt Opperman fietsend op zijn hometrainer te overlijden aan een hartaanval. Vandaag leeft de meest vermaarde vooroorlogse Australische renner verder in de naam van de onderscheiding die wordt toegekend aan de Australische renner van het jaar. De recentste laureaat van de Sir Hubert Opperman Trophy, kortweg Oppy Award, is BMX’er Logan Martin, winnaar van olympisch goud in Tokio.

Globalisering

Veel records die Opperman vestigde houden decennialang stand. Zo ook zijn twaalfde plaats in de Tour, die pas in 1981 wordt verbeterd door een al haast even legendarische Australische renner, Phil Anderson. Een gouden medaille op de Commonwealth Games is voor Anderson de springplank om zijn geluk in Europa te beproeven. Bij zijn Tourdebuut in 1981 verovert de Peugeotrenner in de Pyreneeën als eerste niet-Europeaan de gele trui, na een duel met niemand minder dan Bernard Hinault. Ook al zal hij de leiderstrui dat jaar maar één dag dragen, Australië staat definitief op de Tour- en dus ook de wielerkaart. Een exploot dat Skippy, zoals Anderson wordt genoemd, een jaar later bevestigt door zich opnieuw in de leiderstrui te hijsen, deze keer tien ritten lang en uitmondend in een vijfde plaats in de eindstand, zijn personal best.

Robbie McEwen was de eerste Aussie die een WK-medaille op de weg behaalde.
Robbie McEwen was de eerste Aussie die een WK-medaille op de weg behaalde.© FOTO: GETTY

Australië surft in de jaren 80 mee op de eerste, voorzichtige internationaliseringsgolf die het wielrennen dan kenmerkt. Het is de periode waarin de globalisering van de economie zich vertaalt in de intrede van internationale bedrijven in de wielersport. Sponsors als audio-en-videocassetteproducent PDM en de Japanse elektronicagiganten Panasonic en Hitachi sturen aan op meer internationale rennerskernen, een streven dat aansluit bij hun zoektocht naar uithangborden om hun merk in de diverse markten te promoten.

Als gevolg van die financiële injectie worden de lonen van de beroepsrenners dan wel omhooggestuwd, toch zeker die van de toppers, maar voor Australiërs blijft het pad naar het profbestaan in die tijd nog hachelijk en onzeker. In wezen zijn ze volledig op zichzelf aangewezen, zoals Allan Peiper die op zijn zeventiende in Vlaanderen aanspoelt, in een verlaten beenhouwerij tussen de clochards belandt en alleen maar dankzij een onwaarschijnlijk doorzettingsvermogen en met de steun van de familie Planckaert een carrière weet uit te bouwen. Australische renners blijven avonturiers op eenzame ontdekkingstocht, zoals ook Kirkham, Munro en Opperman dat zijn geweest. Van begeleiding en opleiding van jong talent is op dat ogenblik geen sprake.

Baanlaboratorium

Verandering zal er pas komen op een moment dat over het hele Australische sportbestel de alarmbellen afgaan. Australië is van de Olympische Spelen in Montreal 1976 teruggekeerd met niet één keer goud. Een blamage die de centrale regering doet beslissen tot de oprichting van het Australian Institute of Sport (AIS), dat begin 1981 in hoofdstad Canberra zijn deuren opent voor acht sporten en zes jaar later in Adelaide ook een eerste wielerprogramma toevoegt, gericht op de piste.

Het werk aan dat opleidingsinstituut werpt al snel vruchten af. Illustratief is de evolutie van het aantal Australische wielermedailles op de Spelen: nul in Montreal 1976 en Moskou 1980, één in Los Angeles 1984, vier in Seoel 1988, vijf in Barcelona 1992 en Atlanta 1996, zes in Sydney 2000 en elf in Athene 2004. Die laatste oogst is tot vandaag het voorlopige hoogtepunt: in Peking 2008 worden de Australiërs zoals de rest van de wereld op de piste weggeblazen door de Britten, die daarna hun doorgedreven wetenschappelijke aanpak naar de weg kopiëren (Team Sky) en hun nummer-1-positie in de olympische medaillespiegel van de wielersport niet meer afgeven.

Maar ook in Australië scheidt het baanlaboratorium producten af die hoge ogen zullen gooien in het Europese wegcircuit: zijinstromers onder wie Michael Rogers, de eerste Australische wereldkampioen tijdrijden (2003-2005), en de snelle Stuart O’Grady. Die laatste zal na twee wereldtitels en olympische medailles in de ploegenachtervolging als tweede Australiër de gele trui aantrekken (in de ‘Festina-Tour’ van 1998), wielerminnend Australië warm helpen maken voor de strijd om de groene trui én met Parijs-Roubaix 2007 als eerste Aussie een klassiek monument veroveren.

De wereldkampioenschappen wielrennen vonden voor het eerst plaats in Australië in 2010, in Geelong nabij Melbourne.
De wereldkampioenschappen wielrennen vonden voor het eerst plaats in Australië in 2010, in Geelong nabij Melbourne.© FOTO: GETTY

Begin jaren 90 is vanuit het baanprogramma binnen het AIS ook een weg- en mountainbikeprogramma opgestart, met oog op de Spelen van Atlanta 1996, waar de wegrit voor het eerst ook voor profs wordt opengesteld en het mountainbiken zijn olympische intrede doet. Onder leiding van Heiko Salzwedel, een vermaarde coach uit het voormalige Oost-Duitsland, komt nieuw toptalent bovendrijven.

Wat O’Grady net niet is gelukt, speelt ex-BMX’er en pure sprinter Robbie McEwen wél klaar: op het eindpodium in Parijs mag hij pronken met het groen om de schouders, tot driemaal toe zelfs. In het jaar van zijn eerste eindzege in het puntenklassement, 2002, schrijft de man uit Brisbane nog meer wielergeschiedenis door in Zolder de eerste Australische WK-wegmedaille ooit te veroveren: zilver na Mario Cipollini.

Eerder dat jaar heeft een andere Australiër zijn visitekaartje afgegeven in de Ronde van Italië, waar hij als eerste van zijn land de roze trui heeft veroverd om die pas diep in de derde week weer af te staan. Aan het AIS zien ze er de bevestiging in van de recordwaarde die deze tweevoudige wereldbekerwinnaar mountainbike bij een VO2max-test liet optekenen. Weinigen echter die dan al durven te voorspellen dat deze timide neoprof, opgegroeid in de Outback, zal uitgroeien tot de eerste Australische wereldkampioen op de weg (Mendrisio 2009) én eerste Australische Tourwinnaar (2011). Niemand dan ook aan wie vaker de Oppy Award zal worden overhandigd dan Cadel Evans (viermaal).

Kangoeroesprong

De opleidingsstructuur mag dan wel beter dan ooit zijn uitgebouwd, Australische renners zijn in die tijd voor een profcarrière nog steeds afhankelijk van de goodwill van buitenlandse merkenteams. Halverwege de jaren 90 lijkt in die precaire situatie verandering te komen, wanneer onder impuls van Salzwedel voor het eerst in jaren een Australisch profteam boven de doopvont wordt gehouden, met als naamsponsors de Taiwanese fietsenconstructeur Giant en het Australian Institute of Sport.

Een groot succes is Giant-AIS evenwel niet. Na een jaar ziet de Australische tweedeklasser zich tot een fusie genoodzaakt met het Tsjechische ZVVZ, waardoor de helft van de kern met buitenlandse renners wordt ingevuld (onder wie de Duitse neoprof Jens Voigt). Nog een jaar later, eind 1997, trekken de Australiërs zich volledig uit het project terug en besluit Salzwedel naar Europa terug te keren.

De focus van het AIS-wegprogramma verschuift naar de U23-categorie – sinds 1996 hebben de Beloften een eigen wereldkampioenschap. In 1997 bouwt het AIS een uitvalsbasis in Italië, van waaruit de Belofterenners aan Europese wedstrijden zullen deelnemen.

Shayne Bannan, in die tijd highperformancedirecteur van het AIS, is met het U23-team in Italië onderweg wanneer hij tijdens de Tour 2010 een telefoontje krijgt dat het Australische wielrennen de volgende kangoeroesprong voorwaarts zal doen maken. Gerry Ryan is de man aan de andere kant van de lijn. Ryan, eigenaar van Jayco (caravans en campers) en op dat moment in de Pyreneeën de Tour aan het volgen, wil dringend met hem samenzitten.

In Parijs, daags voor de aankomst op de Champs-Elysées, zet zakenman Ryan zijn plannen uiteen. Hij is aan de wielersport verslingerd geraakt door Kathy Watt te ondersteunen bij haar succesvolle olympische campagne voor de Spelen van Barcelona 1992 (goud in de wegrit, zilver in de individuele achtervolging) en heeft het Giant-AIS-team, een continentaal team en heel wat wielerwedstrijden gesponsord met Jayco. Nu is het tijd voor de volgende stap: de oprichting van een Australisch topteam dat kan deelnemen aan de Ronde van Frankrijk.

Een ambitieuze droom die nauwelijks twee jaar later al werkelijkheid wordt. Met Orica-GreenEDGE verschijnt in 2012 voor het eerst een Australisch merkenteam aan de start van de Tour. Teammanager is Shayne Bannan, de kopman heet Simon Gerrans, die zijn wielercarrière ooit begon op suggestie van Phil Anderson.

Diaspora

Tien jaar later is het Australische WorldTeam, tegenwoordig BikeExchange-Jayco, tot een vaste waarde uitgegroeid. Op het palmares staan drie monumenten (Milaan-Sanremo 2012 en Luik-Bastenaken-Luik 2014 met Simon Gerrans, Parijs-Roubaix 2016 met Mathew Hayman) en 38 ritten in grote rondes (17 in de Giro, 9 in de Tour en 12 in de Vuelta), waarvan 12 met Australiërs en 3 ploegentijdritten.

Toch straalt het team niet meer de aanstekelijke schwung uit van in de begindagen. De laatste grote successen met renners van eigen bodem dateren al van vijf jaar geleden en langer. BikeExchange-Jayco is in de WorldTour in een degradatiestrijd verwikkeld, nadat in de zomer van 2020 het voortbestaan van de ploeg al aan een zijden draadje hing. Door de coronacrisis had Ryans zakenimperium, waaronder sponsorend wijnhuis Mitchelton, danig in de klappen gedeeld. Er moest dringend nieuw geld worden gevonden, maar toen teammanager Bannan de obscure non-profitorganisatie Manuela Fundación triomfantelijk als nieuwe titelsponsor aankondigde, bleek dat algauw een lege doos. Een uitschuiver die Bannan zijn baan kostte – hij is nu highperformancedirecteur bij de wielerfederatie van Singapore.

Australië bejubelt Cadel Evans, zijn eerste Tourwinnaar ooit.
Australië bejubelt Cadel Evans, zijn eerste Tourwinnaar ooit.© FOTO: GETTY

Voordien al, eind 2018, had Pocket Rocket Caleb Ewan het team de rug toegekeerd omdat het steeds nadrukkelijker de kaart van klassementsrenners Simon Yates, Adam Yates en Esteban Chaves was gaan trekken. Ook de beste Australische klassementsrenners zijn niet langer bij BikeExchange-Jayco te vinden. Jai Hindley, de eerste Australische Girowinnaar, rijdt voor BORA-hansgrohe, Ben O’Connor, vorig jaar vierde in de Tour, bij AG2R-Citroën en Jack Haig, vorig jaar derde in de Vuelta, bij Bahrain Victorious.

Nog het meest zorgwekkend is misschien wel dat het team er niet langer in slaagt om jong talent van eigen bodem aan zich te binden. Luke Plapp, twee keer zilver bij de jeugd op WK’s tijdrijden én regerend Australisch wegkampioen bij de elite, werd dit jaar neoprof bij INEOS Grenadiers. Sprinter Kaden Groves is voor volgend jaar gesignaleerd bij Alpecin-Deceuninck.

Pijnlijke vaststellingen voor het Australische team, waar boegbeeld Michael Matthews de voorbije Tour wel weer boven water kwam maar nooit de belofte kon inlossen die zijn Beloftewereldtitel voor eigen volk in 2010 had gewekt. Anderzijds bewijst deze diaspora ook wel dat Australisch talent steeds breder uitwaaiert. Vandaag hebben elf van de achttien WorldTeams minstens één man van down-under in dienst.

Aan de vooravond van het WK in Wollongong is een plaats verwerven in de hoogste klasse in Europa voor Australiërs niet langer een onbereikbaar gewaande droom.

Vaste waarde Simon Clarke

Nadat het in 1935 debuteerde met een trio, onder wie Hubert Opperman, vaardigde Australië de eerstvolgende jaren slechts sporadisch enkelingen af naar het WK. Sinds 1953 echter tekende het land ieder jaar present (op het klim-WK van Colombia in 1995 na). De jongste twee decennia, sinds Verona 2004, behoort Australië zonder onderbreking tot de numerieke grootmachten (vroeger twaalf renners, tegenwoordig acht).

Van alle Australiërs stond Mathew Hayman het vaakst aan de start: vijftien keer, van Lissabon 2001 tot Bergen 2017. Van de nog actieve renners voert Tourritwinnaar Simon Clarke de tabel aan met tien deelnames.

Herstart voor toerisme

Van oudsher bevindt het kloppende hart van de Australische wielersport zich in Victoria, de zuidoostelijke deelstaat rond Melbourne, waar in 2010 de regenboogstrijd van start ging. Uit dat eerste WK op Australische bodem vloeide in 2015 de Cadel Evans Great Ocean Road Race voort, met start en finish in Geelong en destijds de afscheidsrace van de Tourwinnaar naar wie de wedstrijd is genoemd. De voorlopig laatste editie van deze WorldTourwedstrijd, gewonnen door Dries Devenyns, werd in 2020 gehouden, vlak voor corona de wereld deed stilvallen.

Vanaf de jaren 80 begon ook South Australia zich steeds meer als wielerregio te profileren, met hoofdstad Adelaide als thuishaven van het wielerprogramma van het Australian Institute of Sport en epicentrum van de Tour Down Under. Die laatste rittenwedstrijd, in 1999 ontstaan en sinds 2008 in de WorldTour, was voor South Australia tot de coronacrisis een vliegwiel voor het toerisme.

Ook New South Wales beoogt met het WK in Wollongong een toeristisch doel. Stuart Ayres, minister van Toerisme en Sport van de deelstaat, verwacht dat het WK een belangrijke rol zal spelen bij de relance van de door de pandemie getroffen toeristische sector.