Verhalen uit 100 jaar Zesdaagse: ‘Tourné vroeg aan Sercu of hij wel mocht winnen’

Stan Tourné en Patrick Sercu bij de start van de Gentse zesdaagse in 1979. © GETTY, BELGAIMAGE
Peter Mangelschots
Peter Mangelschots Redacteur bij Sport/Voetbalmagazine

Honderd jaar Gentse zesdaagse, dat is een volle eeuw anekdotes en straffe verhalen. Benno Wauters schreef tien jaar geleden een boek over de geschiedenis van de zesdaagse. Het wasemt nog altijd de geur uit van zweet, massageolie en tabaksrook.

Zoals de Romeinse senator Cato in de tweede eeuw voor Christus elk van zijn redevoeringen afsloot door het nog even over Carthago te hebben (dat volgens hem vernietigd moest worden), zo komen de meeste gesprekken dezer dagen vroeg of laat uit op de torenhoge energieprijzen. Benno Wauters (55) diept een anekdote op uit de beginperiode van de Gentse zesdaagse in de jaren 20. De piste werd toen opgebouwd in een grote serre in het Citadelpark, waar tijdens de Floraliën de palmen en de orchideeën bloeiden. In de winter kon het daar gemeen koud worden, want de verwarming liet te wensen over. De mensen begonnen dus al snel over ‘de piste van Siberië’ te spreken. ‘Wie weet gaat het dit jaar terug die kant op’, bedenkt Wauters. ‘Ik vraag me af hoe ze dat gaan aanpakken met die stijgende brandstofkosten.’

Benno Wauters, zoon van radio-legende Jan Wauters, schreef tien jaar geleden een boek over de historiek van de Gentse zesdaagse en de pioniersjaren van de zesdaagsen in het algemeen. Hij had dat voor de honderdste verjaardag nog eens kunnen overdoen, maar dat had weinig zin, zegt hij: ‘Ik zou mezelf te zeer herhaald hebben. Veel is er sinds 2012 immers niet veranderd. Alleen is Patrick Sercu ondertussen overleden. Ik heb hem drie keer opgezocht om hem te interviewen voor mijn boek. Onlangs kocht ik een nieuwe telefoon, ik zag zijn nummer in de lijst en heb het maar verwijderd…’

Hij haalt er meteen een andere, persoonlijke anekdote bij. Patrick Sercu was erbij toen de vijftienjarige Benno voorzichtig zijn allereerste rondjes reed in het Kuipke, een uitloper van de liefde die vijf jaar daarvoor was opgevlamd. ‘In 1977 nam mijn vader me mee naar de zesdaagse’, vertelt Wauters. ‘Het was de laatste van Sercu en van Eddy Merckx, die het jaar daarop zou stoppen met koersen. Merckx was toen al over zijn hoogtepunt heen, maar voor mij als kind bleef dat een legendarische naam, iemand die alles won. En die werd dan gekoppeld aan Patrick Sercu, de ‘Keizer van ‘t Kuipke’ zoals hij genoemd werd.

Wanneer de renners voorgesteld werden aan het publiek, waren de decibels af te lezen op een applausmeter. Ik vond het fantastisch dat je zoiets als applaus kon meten en ik klapte en joelde mee voor het populairste duo, Sercu-Merckx. Het spektakel, dat rondrijden, het lawaai van de derny’s, ik ging daar als kind helemaal in op. Vooral Sercu bewonderde ik, zijn lichaam, die malse maar stevige rennersbenen, katachtig bijna. Ik ben hetero, maar dat perfect gesneden lichaam van Sercu vond ik bijna van een erotische schoonheid getuigen.’

Als vijftienjarige, van zodra dat mocht bij de nieuwelingen, begon Benno Wauters zelf ook te koersen. In de winter stuurde vader Jan hem naar de piste in Gent om er te leren op een fiets met vaste pion te rijden. ‘De eerste keer – het moet op een zaterdag of woensdagnamiddag geweest zijn, want ik ging nog naar school – was Patrick Sercu ook aanwezig, waarschijnlijk omdat mijn vader erbij was. Hij zag mij sukkelen, want je bent natuurlijk voorzichtig, waardoor je altijd wat naar beneden schuift. ‘Harder trappen!’, riep Sercu voortdurend. Maar ik durfde dat niet, ik vond die eerste keer op de piste echt angstaanjagend, zeker in Gent, waar die bocht op je af komt als een muur.’

Wauters reed dus vooral op de weg, zoals de meeste beginnende rennertjes. ‘De weg sprak meer aan. Al in de vorige eeuw begon de piste aan uitstraling te verliezen. De beste wegrenners hadden het geld niet meer nodig en het veldrijden won aan charme omdat het beter past op tv, een uurtje op zondagmiddag. Ik ging mee in die mode en wilde wegrenner worden, al heb ik bij de junioren wel eens een jeugddriedaagse gereden.’

Oscar Egg, winnaar van de eerste Gentse zesdaagse.
Oscar Egg, winnaar van de eerste Gentse zesdaagse. © GETTY, BELGAIMAGE
Flandriens

Terug naar het verleden. Benno Wauters situeert het prille begin van de zesdaagsen in de tweede helft van de negentiende eeuw in Engeland, met als eerste gedocumenteerde editie die van 1875 in Birmingham. Daar reden de deelnemers twaalf uur per dag op hoge bi’s, de iconische oude fietsen met een reusachtig voorwiel. Slechts zes dagen, want de zevende was om religieuze redenen voorbehouden aan de zondagsrust. Als God niks uitvoerde op zondag, dan betaamde het de mens evenmin. ‘Een groot contrast met vandaag’, gooit Wauters ertussen. ‘Nu is de zondag net het hoogtepunt van de zesdaagse.’

Toen de formule overwaaide naar de VS, werden de wedstrijden spectaculairder. Renners moesten soms zes volle etmalen, 144 uur aan een stuk rondjes rijden, waarbij sommigen uit vermoeidheid haast van hun fiets stuikten. Het publiek keek ernaar met een mengeling van fascinatie en afschuw. Tegen het einde van de eeuw grepen de autoriteiten in: New York organiseerde in 1899 in Madison Square Garden voor het eerst een wedstrijd voor duo’s, waarvan de renners elkaar mochten aflossen. Meteen was de benaming ‘Madison’ voor ploegkoers geboren.

In die tijd deden de Vlamingen het al goed op de piste, zowel in Europa als erbuiten. Het waren soms mannen met ruwe zeden, die samen met hun verzorgers en supporters al eens op de vuist gingen met de tegenstanders. In de Franstalige pers werden die Vlaamse woestelingen smalend ‘Flandriens’ genoemd. Vlaamse journalisten namen de term over als geuzennaam voor de Vlaamse renners met hun typische rechttoe-rechtaanstijl. In de loop der jaren werd Flandrien een eretitel.

De zesdaagsen groeiden in het begin van de twintigste eeuw uit tot massaspektakels waarop het bier rijkelijk vloeide, de sponsors gretig hun reclameboodschappen verspreidden en de gegoede burgerij uitgebreid dineerde. Champagne-kurken knalden en de sigarenrook kringelde naar de nok van de zaal. De sportieve essentie bleef intussen onveranderd: zoveel mogelijk afstand afleggen, al voegden de organisatoren wel elementen toe die het allemaal wat spannender en aantrekkelijker moesten maken, zoals tussensprints voor punten. Maar nog altijd moest per ploeg één van de renners voortdurend op de piste blijven, 144 uur lang. In de nachtelijke en ochtendlijke uren reden ze voor bijna lege tribunes.

Een jonge Urs Freuler in 1979.
Een jonge Urs Freuler in 1979. © GETTY, BELGAIMAGE
Volksvermaak

Dat is de tijdsgeest waarin voor het eerst ook een zesdaagse plaatsvindt in Gent. In 1922 wordt een demonteerbare piste aangelegd in het Feestpaleis van het Citadelpark, waar tot 1985 de vijfjaarlijkse Floraliën plaatsvonden. De winnaar van de eerste editie is een Belgisch-Zwitsers duo: Marcel Buysse, wiens zoon Albert vooral furore zou maken als pistier, en Oscar Egg, die op zijn palmares een nationale titel op de weg, twee Tourritten en het werelduurrecord (in 1913) had staan. Zoals gezegd was die eerste accommodatie niet fameus. De ‘Siberische’ baan werd na de zesdaagse van 1927 afgebroken.

De zesdaagse van Gent leek dus geen lang leven beschoren, maar dat was zonder ene Oscar Braeckman gerekend. Hij huurde de kleine (en warmere) serre van het Feestpaleis, kocht de houten wielerbaan van Kortrijk over en liet die in de winter van 1928-1929 in de kleine zaal monteren. Het was een kleine piste, goed 160 meter lang met hoge bochten, die algauw de naam ‘Kuipke’ meekreeg. Maar daarmee was de kous niet af. Door geldgebrek in de crisisjaren werd er pas in 1936 weer een zesdaagse georganiseerd. Daarna volgde er nog een in 1938 en dan pakten zich opnieuw donkere wolken samen boven het wereldtoneel. Tijdens de oorlogsjaren vertikten de Duitsers het om een vergunning af te leveren, dergelijk volksvermaak vonden ze entartet, decadent. O ironie: vijftig jaar later zouden de grootste braspartijen steevast tijdens de Duitse zesdaagsen plaatsvinden.

Die eerste keer op de piste vond ik echt angstaanjagend, zeker in Gent, waar die bocht op je af komt als een muur.’

BENNO WAUTERS

Na de Tweede Wereldoorlog is het vooral in Europa dat de zesdaagsen weer op gang komen, in Gent is dat al vanaf 1947 het geval. In de jaren 50 en 60 gaat het leven steeds sneller, de vooruitgang is niet te stoppen en de zesdaagsen moeten volgen. Organisatoren sleutelen overal aan de formule om het spektakel te vergroten en om de toeschouwers, die een bredere waaier aan ontspanningsmogelijkheden hebben dan voor de oorlog, te blijven boeien. Zo moet in Parijs in 1954 elke dag de laatste ploeg in de stand de wedstrijd verlaten. Het leidt tot slag om slinger aanvallen van de zwakkere ploegen en een loodzware zesdaagse waarin de renners uiteindelijk 3340 kilometer aflegden. Ter vergelijking: dat is een volledige Ronde van Frankrijk. Nog een nieuwigheid in die periode: de finale achter derny’s, die ook in Gent al snel in zwang kwam. Het probleem daarbij was dat er meer ‘combines’ opdoken, onderlinge afspraakjes over wie er mocht winnen. Het is een verwijt dat de zesdaagsen zou blijven achtervolgen, maar daarover zo meteen meer.

Broodjeaapverhaal

In 1957 verhuisde de Gentse zesdaagse van februari-maart naar november, zodat er in dat jaar zelfs twee gereden werden. In de jaren 60 was er dan weer even geen zesdaagse, na de catastrofe van 1962. Een smeulende sigarettenpeuk die door een onvoorzichtige toeschouwer was achtergelaten, deed enkele butaangasflessen ontploffen en het Kuipke brandde volledig uit.

Patrick Sercu en Eddy Merckx zoals Benno Wauters hen zag rijden in 1977.
Patrick Sercu en Eddy Merckx zoals Benno Wauters hen zag rijden in 1977. © GETTY, BELGAIMAGE

Pas in 1965 was de nieuwe piste klaar, met een lengte van 166,6 meter, steile bochten van 52° en plaats voor 4800 toeschouwers. Het diende niet alleen als decor voor het baanwielrennen, er vonden ook optredens plaats van James Last, Louis Armstrong of Holiday On Ice. De eerste zesdaagse in het nieuwe Kuipke was meteen ook de eerste prooi voor het prille koningskoppel Merckx-Sercu, op dat moment net 20 en 21 jaar jong. ‘Ze kenden elkaar van op de wielerbaan, niet uit het wegwielrennen’, legt Wauters uit. ‘Allebei zijn ze bij de beloften, of de liefhebbers destijds, begonnen als pistiers in het Brusselse. Zo zijn ze bevriend geraakt.’

Toen Sercu en Merckx hun eerste zesdaagse wonnen, was dat nog in de ‘old-schoolformule’ waarbij achttien uur per dag één van beide renners op de piste moest blijven. In de ochtendlijke uren draaiden veel renners hun stuur om, zodat ze wat rechter konden zitten. Sommigen lazen al fietsend de krant en naar verluidt waren er zelfs die een kussen op hun stuur legden om zo wat te rusten – dat ze daarbij ook effectief indutten, lijkt dan weer een broodjeaapverhaal.

‘Sercu zei dat de moderne zesdaagse pas in 1970 het levenslicht zag’, vertelt Wauters. ‘Vanaf dan had je alleen ’s avonds koers.’ Het was Londen dat in de 1970 de primeur had, met zes ritten van vijf uur en één van drie uur.

Doorgestoken kaart

Ondanks die snellere formule, die de aantrekkelijkheid verhoogde, taande langzamerhand de populariteit van de zesdaagsen. Al was daar weinig van te merken in Gent, waar lokale renners als Iljo Keisse en Kenny De Ketele op kolkende avonden in het Kuipke door flink geoliede kelen naar de overwinning werden geschreeuwd. Maar in een maatschappij die alles sneller en flitsender wil en de aandachtsspanne van een TikTokfilmpje heeft, lijken zes volle avonden sportief vermaak een anachronisme.

En dan is er nog dat hardnekkige gerucht over combines. ‘Onlangs beweerde sportjournalist Hans Vandeweghe nog maar eens dat het allemaal doorgestoken kaart is en dat op voorhand afgesproken wordt wie er mag winnen’, zegt Wauters wat geërgerd. ‘Natuurlijk bestaat er een soort van code, maar het gaat altijd om de verdienste, de prestatie. Ik heb zelf in mijn jeugd nog samen gereden met Lorenzo Lapage.

Kijk er de uitslagen in de jaren 90 maar op na: die eindigde altijd ergens achteraan, want hij kon gewoon niet beter als er een rondje genomen werd. De besten komen automatisch naar voren en dan wordt er op het einde misschien wel eens gekeken wie het nu het meest verdient. Maar zo zijn er ook genoeg voorbeelden uit het wegwielrennen. De beste mág winnen, omdat hij kán winnen.’

Wijlen wedstrijddirecteur Patrick Sercu en zijn gewezen ploegmaat Eddy Merckx in 2015.
Wijlen wedstrijddirecteur Patrick Sercu en zijn gewezen ploegmaat Eddy Merckx in 2015. © GETTY, BELGAIMAGE

Wauters geeft wel toe dat het soms dubbelzinnig is. Hij haalt er een straffe anekdote bij die Patrick Sercu hem in alle openheid vertelde. ‘In 1989 werd er een fantastische finale gereden’, zegt Wauters. ‘Het duo van Urs Freuler en dat van Danny Clark waren aan elkaar gewaagd. Er was geen afspraak gemaakt en er was ruzie over wie mocht winnen, dus moesten ze het zelf uitvechten. In hun overwinningsdrang richtten Clark en Freuler een enorm slagveld aan, ze reden daarbij ook hun eigen ploegmaats aan flarden, die konden gewoon niet volgen. Stan Tourné, die met Etienne De Wilde reed, had dat in de smiezen en dacht ervan te kunnen profiteren. Hij flitste over de baan, ging een ronde nemen en vroeg in volle inspanning aan Sercu, de koersdirecteur, die stond toe te kijken: ‘Mag ik ervoor gaan?’ Dat is vreemd, als topsporter, want uiteraard wil je winnen. Sercu vertelde me dat hij ja had gezegd. Vanuit zijn standpunt was die slopende finale immers topsport van de bovenste plank en de zege van Tourné en De Wilde was sportief gewoon verdiend.’

De clown van ’t Kuipke

Elk circus heeft zijn clown. Die van de zesdaagsen luisterde lange tijd naar de naam Willy Debosscher. In de jaren 70 en 80 entertainde hij het publiek op onnavolgbare wijze. Overal waar hij zijn grappen en grollen uithaalde, gingen de applausmeters in het rood. Debosscher was zeker geen onverdienstelijke renner, die enkele medailles won op de piste, maar maakte vooral naam met zijn stunts. Hij durfde als spookrijder tussen de andere renners door te slalommen, met zijn voeten te sturen en naar eigen zeggen zelfs een koprol op de fiets te maken, al reed hij, zoals Benno Wauters het in zijn boek uitdrukt, altijd met plezier het gat dicht tussen waarheid en verzinsel.

De specialiteit van Debosscher was de afvallingskoers. Onderweg haalde hij allerlei streken uit, waarbij hij niet zelden zijn broek liet zakken en winden liet, om dan toch bij elke spurt nog net voorlaatste te worden. Het publiek smulde ervan, al was zijn humor vaak plat en grof. Zeker als hij zijn aandacht op de dames richtte, zou zijn gedrag volgens Wauters tegenwoordig ‘grensoverschrijdend’ genoemd worden. Zo greep Debosscher geregeld een vrouw uit het publiek beet of danste tijdens de pauze met een schaars geklede cabaretgroep de French Cancan. ‘Laten we zeggen’, besluit Wauters, ‘dat hij goed de show verzorgde.’

Benno Wauters, 90 jaar 6daagse in Gent (Borgerhoff & Lamberigts, 2012)
Benno Wauters, 90 jaar 6daagse in Gent (Borgerhoff & Lamberigts, 2012) © GETTY, BELGAIMAGE