Het Belgisch voetbal is gediend met een zo sterk mogelijke nationale competitie, dus met zo sterk mogelijke ploegen, en daar draagt de verplichting om zes Belgen op het wedstrijdblad te zette allesbehalve toe bij, betoogt François Vitali (43), de Franse sportief directeur van Cercle.

'Spelen er sinds die regel meer jonge Belgen? Neen. Wordt er sindsdien meer geïnvesteerd in de opleiding? Neen. Je ziet onder de clubs nog steeds dezelfde Belgen circuleren. Wat er gebeurt, is dat je een gesloten markt creëert met salarisinflatie en hoge transfersommen. Want als de vraag naar goeie Belgen groot is en het aanbod klein, stijgt de prijs. Het kost meer geld.

'Terwijl je misschien over jonge buitenlanders beschikt die beter zijn en met wie je voor de club rijkdom zou kunnen creëren die vervolgens in de jeugdopleiding geïnvesteerd kan worden. Die moeten nu wijken voor Belgen met minder potentieel. Dat quotum verplicht je er spelers bij te nemen die niet of nog niet het vereiste niveau halen. Dat is tegen de geest van competitiesport en haalt het niveau van de competitie naar beneden. Niemand is met dat protectionisme gebaat.'

Beperkte budgetten

Er moet meer geïnvesteerd worden in jeugdopleiding, maar daar ontbreken bij veel clubs de middelen voor, zegt hij. 'In Frankrijk bestaat zo'n quotum niet, maar dat belet niet dat het het tweede exportland van profvoetballers ter wereld is en dat het al twee keer wereldkampioen werd. Er wordt dan ook al tientallen jaren veel geld geïnvesteerd in intussen al zo'n veertig opleidingscentra.

'Maar hoe wil je dat in België clubs met een budget van 6 à 10 miljoen euro jaarlijks 2, 3, 4 of 5 miljoen investeren in een academie? Want een goeie jeugdopleiding vereist voltijdse trainers, een concurrentiële omgeving, faciliteiten om spelers te herbergen en middelen om ze onder contract te leggen. Zo niet gaan talenten elders om zich te ontwikkelen. Want 24 opleidingscentra in een land met slechts 12 miljoen inwoners is onmogelijk.

'Het zou goed zijn om eens na te denken over hoe we ons allemaal samen kunnen organiseren om op alle niveaus goede jeugdopleidingen te kunnen voorzien, bij de elite, maar ook in de nationale en regionale afdelingen. Zonder iedereen te verplichten middelen te investeren waarover ze grotendeels niet beschikken.'

Dat is in België het probleem, benadrukt hij: de grote budgettaire ongelijkheid tussen de profclubs en vooral de te beperkte financiële slagkracht van een groot deel van hen. 'Dus moet je er alles voor doen om een zo sterk mogelijke competitie te creëren die meer middelen genereert. Dat betekent topclubs die concurrentiëler worden in Europa, maar ook een competitiehervorming die het algemeen belang dient.

'De moeilijkheid is nu ook dat er een tweede klasse is gemaakt met slechts acht ploegen, waarvan de helft strijdt voor de promotie en de andere helft tegen de degradatie. Dat is geen positieve omgeving voor jonge spelers om zich te ontwikkelen. Met een reeks van zestien of achttien teams zouden wij daar jongens als Robbe Decostere, Charles Vanhoutte en Olivier Deman speeltijd kunnen geven bij een club waarmee we zouden kunnen samenwerken, maar dat is nu dus niet mogelijk.'

Nationaliteit

In een mondiale sport als voetbal gaat het in een nationale competitie ook allang niet meer om nationaliteit, besluit Vitali. 'Sport van hoog niveau overstijgt de lokale clan. Waar het om gaat, is het respecteren van waarden. Want er zijn overal in de wereld goeie mensen maar ook idiote mensen. Mensen moeten zich met spelers kunnen identificeren. Wat Cercle karakteriseert en sterk maakt, is een zekere familiariteit. Maar dat volstaat niet, want uiteindelijk gaat het erom hoeveel wedstrijden je wint en dan doet het er niet toe of je van Brussel, Afrika of Zuid-Amerika afkomstig bent.'

Lees het volledige verhaal over Cercle Brugge in onze +zone of in Sport/Voetbalmagazine van woensdag 8 mei.