Toen een goede twintig jaar geleden mijn studie uitkwam over de lokalisatie van professionele voetbalclubs in ons land werd ik via e-mail, via allerhande fora en in de pers neergesabeld als 'wereldvreemd' en 'we zullen eens gaan bewijzen dat...'

Vandaag zijn spijtig genoeg veel van de clubs, die zich toen - en volgens hen compleet onterecht - benadeeld voelden, of verdwenen of terug opgestart door een fusie en dan doorgestart in de lagere zogenaamde amateurreeksen. Er zijn er ook die een succesvolle en goed gestructureerde doorstart gekend hebben in deze lagere reeksen (KV Mechelen) of die werden overgenomen door al dan niet dubieuze buitenlandse suikerooms. Die laatste investeerders hebben hen meestal gebruikt als doorverkooppunt voor goedkoop buitenlands 'talent'.

Een uitzondering is dus het positieve verhaal van KV Mechelen - ik weet dat sommigen nu zullen refereren naar het omkoopschandaal, maar dat laat ik hier buiten beschouwing. De club stapte op een solide basis en met geduld de weg door de woestijn af naar de hoogste afdeling.

In België gaan al veel mensen naar het voetbal kijken. Daardoor is er niet veel groeimarge meer.

Bovendien kwam uit de studie dat er in Leuven een opportuniteit was. Met andere woorden: er was een economisch leefbare markt die niet bediend werd en vandaag, met wat vallen maar toch terug opstaan, door fusieclub OH Leuven ingevuld wordt.

Toen journalisten mij in het kader van de huidige licentieproblemen contacteerden en verwezen naar deze studie waarschuwde ik hen dat emotionele en andere reacties zouden volgen. Een van hun vragen was: "Stel dat er maar 16 clubs overblijven, waar zou je die dan lokaliseren?"

Bij mijn antwoord vermeldde ik dat een van de grote problemen in ons land het competieformat is en meer bepaald 1B en de beperkte toegang (slechts één stijger) tot 1A. Hierdoor nemen clubs uit 1B onverantwoorde economische risico's om op korte termijn te promoveren en doen clubs uit 1A identiek hetzelfde om niet te degraderen. Het resultaat is dat zowel clubs uit 1A als uit 1B aan overspending doen om het potentiële doel te bereiken.

Het aantal clubs is een ander verhaal en als econoom en geograaf ben ik dan ook blij met mijn geografische kennis. Zo weet ik bijvoorbeeld dat België 30.689 km² groot is in plaats van 30.600 m². Bovendien is het rekruteringsgebied voor toeschouwers en sponsors voor vele kleinere clubs lokaal en hebben enkel de grotere clubs een regionale of nationale rekruteringsbasis. Het is dus niet de oppervlakte delen door 2000 km² (ipv m²) want dan zou de provincie Luxemburg twee clubs moeten herbergen...

Lees verder onder de foto.

'Het positieve verhaal van KV Mechelen is een uitzondering.', Belga Image
'Het positieve verhaal van KV Mechelen is een uitzondering.' © Belga Image

De vraag die we hierbij kunnen stellen is hoeveel filialen (clubs) in de huidige context van een 'gesloten productmarkt' (clubs spelen in een nationale competitie en kunnen niet ineens gaan deelnemen aan een meer lucratieve competitie in een ander land) op de (middel)lange termijn leefbaar zijn... zonder grote inkomstendelingen en zonder salarisplafond.

Een belangrijk gegeven hierbij is de vraagzijde en hier moet onder meer rekening gehouden worden met de bevolkingsaantallen en -dichtheden, de economische draagkracht van de regio en de traditie. Het voetbal in België is op basis van gemiddelde toeschouwers per capita heel populair in ons land: er gaan al relatief veel mensen naar het voetbal kijken. Een goed teken maar ook een teken dat de groeimarges niet zo groot meer zijn.

Uit de data bleek dat in kleinere steden relatief gezien veel mensen naar de lokale voetbalploeg trekken, maar dat het absolute cijfer soms niet meer dan 5000 toeschouwers bedroeg en de groeimarge beperkt was.

Zo gingen in 2000 bijvoorbeeld relatief gezien veel meer mensen naar het voetbal in Westerlo dan in Gent of Antwerpen. Voor Westerlo het bewijs van een goede werking en structuur in een beperkt kader en voor Gent en Antwerpen het signaal dat een groeimarge, lees groter stadion, een optie was.

Een bijkomende factor is de welvaart van een regio. Deze welvaart is onder andere een combinatie van de aanwezige bedrijven enerzijds en de bevolking anderzijds. Zo kunnen minder bevolkingsrijke regio's door inbreng van de lokale economie een club ondersteunen en vice versa.

Het mooie verhaal hier is het herrezen Zulte Waregem. Daar ondersteunt de lokale economie de club en werd er een stadion gebouwd dat rekening houdt met de potentiële vraag van de bevolking.

Een ander belangrijk element is traditie. Traditieclubs hebben relatief gezien een grotere aanhang. Aan de ene kant zijn ze een solide basis om op verder te bouwen, maar aan de andere kant een belemmering voor de realiteit indien de vraagzijde toch ontoereikend is in de hedendaagse professionele omgeving en de club het moeilijk heeft en zou verdwijnen. Het is in deze context dat verhalen over de goede oude tijd naar boven komen en clubs zich in sommige gevallen laten verleiden om in zee te gaan met suikerooms.

Wat betreft de aanbodzijde is het duidelijk dat mismanagement voorkomt en het gelinkt kan worden aan het kortetermijndenken. De oorzaak kan gedeeltelijk gesitueerd worden bij de dominerende sportieve winstmaximalisatie-strategie in plaats van bij de economische winstmaximalisatie-strategie.

Voor de grotere clubs zijn de verliescijfers minder belangrijk omdat ze denken dat ze 'too big to fail' zijn en altijd wel iemand de rekening zal betalen., Belga Image
Voor de grotere clubs zijn de verliescijfers minder belangrijk omdat ze denken dat ze 'too big to fail' zijn en altijd wel iemand de rekening zal betalen. © Belga Image

Met andere woorden: de sportieve resultaten zijn belangrijker dan de bedrijfseconomische resultaten waardoor clubs in financiële moeilijkheden geraken. Voor de grotere clubs zijn de verliescijfers minder belangrijk omdat ze denken dat ze net zoals de grote banken destijds "too big to fail" zijn en altijd wel iemand de rekening zal betalen.

Maar kleinere clubs verdwijnen in de plooien van de sportgeschiedenis en transformeren zich na een tijd tot vragen in een sportquiz zoals "Welke club uit West-Vlaanderen eindigde in 1997/98 vijfde in eerste klasse?"

Om af te sluiten gaan we in op economische modellen. Die zijn in vele gevallen een vereenvoudiging van de werkelijkheid om bepaalde mechanismes te detecteren en te verklaren. Zo kan men via dergelijke modellen uitleggen waarom bij een monopolist (één aanbieder) de prijszetting hoger is dan wanneer er volkomen concurrentie is.

Of toegepast op de sport: waarom clubs die sportieve winst nastreven een hogere relatieve loonmassa hebben dan clubs met economische winstdoelstellingen. Zo is volgens analoge modellen ook het aantal clubs in een sociaal-optimale competitievorm hoger dan bij een systeem waar een league de gemiddelde opbrengst per club optimaliseert.

Die modellen geven dus wel een indicatie van wat gebeurt, maar concrete invulling is soms moeilijk en wordt dan via een 'als ...' opgelost. Zoals y=150-5n, bijvoorbeeld, waarbij 150 staat voor de populariteit en 5 voor de welvaart, maar de link met de realiteit is er niet.

Stel nu dat deze redenering de werkelijkheid benadert en door de coronacrisis de economie krimpt waardoor de welvaart afneemt en mensen gaan besparen op vrije tijd, dan zou die 5 wel eens een 6 kunnen worden. Wel, dan worden de berekende waarden 16 en 20 plots 13 en 17 (ter info: als ik bij sociaal optimum dZ/dn neem i.p.v. de gestelde d(Z/n)/dn).

Ik wil hierbij maar aantonen dat dergelijke modellen met een andere invulling even 'wereldvreemde' resultaten krijgen. Maar als de lonen natuurlijk geplafonneerd worden tot 120.000 euro voor 26 spelers (dat laatste is iets wat we al jaren voorstellen), aangevuld met eigen jeugd indien nodig, dan is alles opgelost. Met de mediarechten van 103 miljoen euro kan je immers 21 ploegen onderhouden en zelfs in lege stadions zonder sponsors spelen. Of is dat fake news?

Kleinere clubs verdwijnen in de plooien van de sportgeschiedenis en transformeren zich na een tijd tot vragen in een sportquiz.

Mijn conclusie is dat er goed nagedacht moet worden over een nieuw competitieformat en mechanismes die noodzakelijk zijn om alle clubs te ondersteunen. Men zal rekening moeten houden met de economische logica van de toekomstige en misschien zelfs krimpende markt.

Een langetermijnvisie is noodzakelijk, want naast de gevolgen van de coronacrisis zullen de overheden waarschijnlijk een ander kader creëren waarin bepaalde voordelen die momenteel aan de sportwereld gegeven worden zouden kunnen verdwijnen.

Indien men overgaat tot 'business as usual' zullen er nog slachtoffers vallen. De inkomsten, die nu al bij velen de kosten niet dekken, zullen op korte termijn immers waarschijnlijk niet toenemen, maar de uitgaven wel.

Toen een goede twintig jaar geleden mijn studie uitkwam over de lokalisatie van professionele voetbalclubs in ons land werd ik via e-mail, via allerhande fora en in de pers neergesabeld als 'wereldvreemd' en 'we zullen eens gaan bewijzen dat...'Vandaag zijn spijtig genoeg veel van de clubs, die zich toen - en volgens hen compleet onterecht - benadeeld voelden, of verdwenen of terug opgestart door een fusie en dan doorgestart in de lagere zogenaamde amateurreeksen. Er zijn er ook die een succesvolle en goed gestructureerde doorstart gekend hebben in deze lagere reeksen (KV Mechelen) of die werden overgenomen door al dan niet dubieuze buitenlandse suikerooms. Die laatste investeerders hebben hen meestal gebruikt als doorverkooppunt voor goedkoop buitenlands 'talent'. Een uitzondering is dus het positieve verhaal van KV Mechelen - ik weet dat sommigen nu zullen refereren naar het omkoopschandaal, maar dat laat ik hier buiten beschouwing. De club stapte op een solide basis en met geduld de weg door de woestijn af naar de hoogste afdeling. Bovendien kwam uit de studie dat er in Leuven een opportuniteit was. Met andere woorden: er was een economisch leefbare markt die niet bediend werd en vandaag, met wat vallen maar toch terug opstaan, door fusieclub OH Leuven ingevuld wordt.Toen journalisten mij in het kader van de huidige licentieproblemen contacteerden en verwezen naar deze studie waarschuwde ik hen dat emotionele en andere reacties zouden volgen. Een van hun vragen was: "Stel dat er maar 16 clubs overblijven, waar zou je die dan lokaliseren?" Bij mijn antwoord vermeldde ik dat een van de grote problemen in ons land het competieformat is en meer bepaald 1B en de beperkte toegang (slechts één stijger) tot 1A. Hierdoor nemen clubs uit 1B onverantwoorde economische risico's om op korte termijn te promoveren en doen clubs uit 1A identiek hetzelfde om niet te degraderen. Het resultaat is dat zowel clubs uit 1A als uit 1B aan overspending doen om het potentiële doel te bereiken.Het aantal clubs is een ander verhaal en als econoom en geograaf ben ik dan ook blij met mijn geografische kennis. Zo weet ik bijvoorbeeld dat België 30.689 km² groot is in plaats van 30.600 m². Bovendien is het rekruteringsgebied voor toeschouwers en sponsors voor vele kleinere clubs lokaal en hebben enkel de grotere clubs een regionale of nationale rekruteringsbasis. Het is dus niet de oppervlakte delen door 2000 km² (ipv m²) want dan zou de provincie Luxemburg twee clubs moeten herbergen...Lees verder onder de foto.De vraag die we hierbij kunnen stellen is hoeveel filialen (clubs) in de huidige context van een 'gesloten productmarkt' (clubs spelen in een nationale competitie en kunnen niet ineens gaan deelnemen aan een meer lucratieve competitie in een ander land) op de (middel)lange termijn leefbaar zijn... zonder grote inkomstendelingen en zonder salarisplafond.Een belangrijk gegeven hierbij is de vraagzijde en hier moet onder meer rekening gehouden worden met de bevolkingsaantallen en -dichtheden, de economische draagkracht van de regio en de traditie. Het voetbal in België is op basis van gemiddelde toeschouwers per capita heel populair in ons land: er gaan al relatief veel mensen naar het voetbal kijken. Een goed teken maar ook een teken dat de groeimarges niet zo groot meer zijn. Uit de data bleek dat in kleinere steden relatief gezien veel mensen naar de lokale voetbalploeg trekken, maar dat het absolute cijfer soms niet meer dan 5000 toeschouwers bedroeg en de groeimarge beperkt was. Zo gingen in 2000 bijvoorbeeld relatief gezien veel meer mensen naar het voetbal in Westerlo dan in Gent of Antwerpen. Voor Westerlo het bewijs van een goede werking en structuur in een beperkt kader en voor Gent en Antwerpen het signaal dat een groeimarge, lees groter stadion, een optie was. Een bijkomende factor is de welvaart van een regio. Deze welvaart is onder andere een combinatie van de aanwezige bedrijven enerzijds en de bevolking anderzijds. Zo kunnen minder bevolkingsrijke regio's door inbreng van de lokale economie een club ondersteunen en vice versa.Het mooie verhaal hier is het herrezen Zulte Waregem. Daar ondersteunt de lokale economie de club en werd er een stadion gebouwd dat rekening houdt met de potentiële vraag van de bevolking.Een ander belangrijk element is traditie. Traditieclubs hebben relatief gezien een grotere aanhang. Aan de ene kant zijn ze een solide basis om op verder te bouwen, maar aan de andere kant een belemmering voor de realiteit indien de vraagzijde toch ontoereikend is in de hedendaagse professionele omgeving en de club het moeilijk heeft en zou verdwijnen. Het is in deze context dat verhalen over de goede oude tijd naar boven komen en clubs zich in sommige gevallen laten verleiden om in zee te gaan met suikerooms.Wat betreft de aanbodzijde is het duidelijk dat mismanagement voorkomt en het gelinkt kan worden aan het kortetermijndenken. De oorzaak kan gedeeltelijk gesitueerd worden bij de dominerende sportieve winstmaximalisatie-strategie in plaats van bij de economische winstmaximalisatie-strategie. Met andere woorden: de sportieve resultaten zijn belangrijker dan de bedrijfseconomische resultaten waardoor clubs in financiële moeilijkheden geraken. Voor de grotere clubs zijn de verliescijfers minder belangrijk omdat ze denken dat ze net zoals de grote banken destijds "too big to fail" zijn en altijd wel iemand de rekening zal betalen. Maar kleinere clubs verdwijnen in de plooien van de sportgeschiedenis en transformeren zich na een tijd tot vragen in een sportquiz zoals "Welke club uit West-Vlaanderen eindigde in 1997/98 vijfde in eerste klasse?"Om af te sluiten gaan we in op economische modellen. Die zijn in vele gevallen een vereenvoudiging van de werkelijkheid om bepaalde mechanismes te detecteren en te verklaren. Zo kan men via dergelijke modellen uitleggen waarom bij een monopolist (één aanbieder) de prijszetting hoger is dan wanneer er volkomen concurrentie is. Of toegepast op de sport: waarom clubs die sportieve winst nastreven een hogere relatieve loonmassa hebben dan clubs met economische winstdoelstellingen. Zo is volgens analoge modellen ook het aantal clubs in een sociaal-optimale competitievorm hoger dan bij een systeem waar een league de gemiddelde opbrengst per club optimaliseert. Die modellen geven dus wel een indicatie van wat gebeurt, maar concrete invulling is soms moeilijk en wordt dan via een 'als ...' opgelost. Zoals y=150-5n, bijvoorbeeld, waarbij 150 staat voor de populariteit en 5 voor de welvaart, maar de link met de realiteit is er niet.Stel nu dat deze redenering de werkelijkheid benadert en door de coronacrisis de economie krimpt waardoor de welvaart afneemt en mensen gaan besparen op vrije tijd, dan zou die 5 wel eens een 6 kunnen worden. Wel, dan worden de berekende waarden 16 en 20 plots 13 en 17 (ter info: als ik bij sociaal optimum dZ/dn neem i.p.v. de gestelde d(Z/n)/dn).Ik wil hierbij maar aantonen dat dergelijke modellen met een andere invulling even 'wereldvreemde' resultaten krijgen. Maar als de lonen natuurlijk geplafonneerd worden tot 120.000 euro voor 26 spelers (dat laatste is iets wat we al jaren voorstellen), aangevuld met eigen jeugd indien nodig, dan is alles opgelost. Met de mediarechten van 103 miljoen euro kan je immers 21 ploegen onderhouden en zelfs in lege stadions zonder sponsors spelen. Of is dat fake news?Mijn conclusie is dat er goed nagedacht moet worden over een nieuw competitieformat en mechanismes die noodzakelijk zijn om alle clubs te ondersteunen. Men zal rekening moeten houden met de economische logica van de toekomstige en misschien zelfs krimpende markt. Een langetermijnvisie is noodzakelijk, want naast de gevolgen van de coronacrisis zullen de overheden waarschijnlijk een ander kader creëren waarin bepaalde voordelen die momenteel aan de sportwereld gegeven worden zouden kunnen verdwijnen. Indien men overgaat tot 'business as usual' zullen er nog slachtoffers vallen. De inkomsten, die nu al bij velen de kosten niet dekken, zullen op korte termijn immers waarschijnlijk niet toenemen, maar de uitgaven wel.