De Olympische Spelen waren uniek om vele redenen. Ten eerste werden ze nog geen twee jaar na de Wapenstilstand gehouden, met atleten die meer wilden feesten dan sporten en gebouwen die op nog geen twaalf maanden tijd opgetrokken moesten worden waardoor ze niet perfect afgewerkt waren.

Ten tweede gingen ze door in Antwerpen, na succesvol lobbywerk van enkele prominente Belgische sportfiguren en de goedkeuring van IOC-voorzitter Pierre de Coubertin, en zijn ze tot op heden nog steeds de enige Spelen ooit in België.

Tot slot waren de Spelen ook uniek omdat de Belgische delegatie nooit meer medailles verzamelde dan in 1920: 36 in totaal, waarvan 13 gouden medailles. Slechts drie landen gingen met een grotere buit naar huis.

Voorselecties met 600 kandidaten

Een grote verrassing daarbij was de zilveren medaille in de teamwedstrijd voor de Belgische turnploeg. De Belgen waren namelijk helemaal geen kandidaten voor de medailles en hadden voor de Spelen eigenlijk geen team om af te vaardigen.

Gymnastiek was in die periode echter enorm populair in Vlaanderen en Antwerpen kon zelfs bekeken worden als de hoofdstad van de sport in België. De voorzitter van de Belgische turnbond, Nicolaas Jan Copérus, was een van de drijvende krachten achter de selectie van Antwerpen als gaststad van de 7e olympiade. Om een idee te geven hoe belangrijk turnen in die periode was en hoe belangrijk het dus ook was dat er een Belgisch team zou zijn om het land te vertegenwoordigen in eigen huis.

Alleen, er zaten geen grote talenten bij de nationale turnbond en dus werd er een oproep gelanceerd aan alle turners in het land om een plaats te bemachtigen in het Belgische team. Maar liefst 600 gymnasten, uit alle lagen van de samenleving, kwamen opdagen voor de voorselecties in het voorjaar van 1920. Slechts 24 van hen mochten naar de Spelen gaan.

De zilveren medaille van Domien Jacob, gf
De zilveren medaille van Domien Jacob © gf

Eendracht maakt macht

Drie weken voor het begin van de Spelen in augustus was het verzamelen geblazen voor de 24 gelukkigen in de meisjesschool dicht bij het nieuwe Beerschotstadion, waar het toernooi nog in open lucht zou doorgaan. In de school verbleven de gymnasten vijf weken lang zonder vrouw en kinderen. Dat was namelijk nodig om het niveau van de mannen op te krikken én om een goeie teamsfeer te smeden.

Op het eerste gezicht lijkt zo'n teamgeest misschien minder belangrijk, omdat alle onderdelen op de Spelen individuele nummers waren, maar alle gymnasten kwamen uit de verschillende zuilen in de Belgische samenleving. Je had gymnasten uit de katholieke, socialistische, liberale en nationale bonden, die het doorgaans niet zo goed met elkaar konden vinden. Bij het Belgische team was daar echter niks van te merken. De Belgische leuze 'Eendracht maakt macht' klonk luider dan ooit tevoren.

Samenhang was ook nodig, want de Belgen behoorden absoluut niet tot de favorieten. Die rol was eerder weggelegd voor de Italianen en de Fransen, maar uiteindelijk ging België lopen met een zilveren medaille. Een hoogtepunt in het Belgische turnen.

Nicolaas Moerloos en Domien Jacob, de twee gymnasten van Kracht en Geduld, gf
Nicolaas Moerloos en Domien Jacob, de twee gymnasten van Kracht en Geduld © gf

Kracht en Geduld

Bij het Belgische team was de hoofdrol weggelegd voor twee jongens uit Sint-Niklaas: Nicolaas Moerloos en Domien Jacob. Beiden kwamen uit de katholieke turnclub van de stad, Kracht en Geduld. De kring vaardigde zelfs maar drie gymnasten af naar de voorselecties. Dat twee van die drie het dan uiteindelijk haalden uit een groep van 600 man, was een historisch moment voor de club.

Onlogisch was het ook weer niet, want Domien Jacob behoorde tot de top van de Belgische gymnastiek. Vooral aan de ringen was de jonge gymnast een meester met een prachtige kruishang die hem typeerde. Mede dankzij zijn formidabele prestaties in de teamfinale behaalde België zilver.

Dat de zilveren medaille van de Belgen heel wat geweest moet zijn, bewijst de terugkomst van Jacob in Sint-Niklaas. Het plein voor het station zag zwart van het volk en Jacob werd zelfs rondgereden in een koets - wat dan weer erg was voor zijn vrouw die hem niet eens kon omhelzen in alle drukte.

En ook na de Spelen ging het de turnclub uit Sint-Niklaas voor de wind. In 1922 deed het nog mee aan het Concours International de l'UIOCEP in het Sloveense Brno, een internationale wedstrijd voor katholieke verenigingen. En daar bevestigde Jacob, de ster van het Belgische team, zijn status. Van de 700 meegereisde Belgische gymnasten werd hij de beste en het team won zelfs het toernooi.

Maar de gouden jaren van de Belgische gymnastiek waren van korte duur, want in 1924 mocht ons land niet meedoen aan de Spelen van Parijs.

Bekijk hieronder de documentaire 'Een medaille op de kast' over de zilveren Belgen en het leven van Domien Jacob.

De Olympische Spelen waren uniek om vele redenen. Ten eerste werden ze nog geen twee jaar na de Wapenstilstand gehouden, met atleten die meer wilden feesten dan sporten en gebouwen die op nog geen twaalf maanden tijd opgetrokken moesten worden waardoor ze niet perfect afgewerkt waren. Ten tweede gingen ze door in Antwerpen, na succesvol lobbywerk van enkele prominente Belgische sportfiguren en de goedkeuring van IOC-voorzitter Pierre de Coubertin, en zijn ze tot op heden nog steeds de enige Spelen ooit in België. Tot slot waren de Spelen ook uniek omdat de Belgische delegatie nooit meer medailles verzamelde dan in 1920: 36 in totaal, waarvan 13 gouden medailles. Slechts drie landen gingen met een grotere buit naar huis.Een grote verrassing daarbij was de zilveren medaille in de teamwedstrijd voor de Belgische turnploeg. De Belgen waren namelijk helemaal geen kandidaten voor de medailles en hadden voor de Spelen eigenlijk geen team om af te vaardigen.Gymnastiek was in die periode echter enorm populair in Vlaanderen en Antwerpen kon zelfs bekeken worden als de hoofdstad van de sport in België. De voorzitter van de Belgische turnbond, Nicolaas Jan Copérus, was een van de drijvende krachten achter de selectie van Antwerpen als gaststad van de 7e olympiade. Om een idee te geven hoe belangrijk turnen in die periode was en hoe belangrijk het dus ook was dat er een Belgisch team zou zijn om het land te vertegenwoordigen in eigen huis.Alleen, er zaten geen grote talenten bij de nationale turnbond en dus werd er een oproep gelanceerd aan alle turners in het land om een plaats te bemachtigen in het Belgische team. Maar liefst 600 gymnasten, uit alle lagen van de samenleving, kwamen opdagen voor de voorselecties in het voorjaar van 1920. Slechts 24 van hen mochten naar de Spelen gaan.Drie weken voor het begin van de Spelen in augustus was het verzamelen geblazen voor de 24 gelukkigen in de meisjesschool dicht bij het nieuwe Beerschotstadion, waar het toernooi nog in open lucht zou doorgaan. In de school verbleven de gymnasten vijf weken lang zonder vrouw en kinderen. Dat was namelijk nodig om het niveau van de mannen op te krikken én om een goeie teamsfeer te smeden.Op het eerste gezicht lijkt zo'n teamgeest misschien minder belangrijk, omdat alle onderdelen op de Spelen individuele nummers waren, maar alle gymnasten kwamen uit de verschillende zuilen in de Belgische samenleving. Je had gymnasten uit de katholieke, socialistische, liberale en nationale bonden, die het doorgaans niet zo goed met elkaar konden vinden. Bij het Belgische team was daar echter niks van te merken. De Belgische leuze 'Eendracht maakt macht' klonk luider dan ooit tevoren.Samenhang was ook nodig, want de Belgen behoorden absoluut niet tot de favorieten. Die rol was eerder weggelegd voor de Italianen en de Fransen, maar uiteindelijk ging België lopen met een zilveren medaille. Een hoogtepunt in het Belgische turnen.Bij het Belgische team was de hoofdrol weggelegd voor twee jongens uit Sint-Niklaas: Nicolaas Moerloos en Domien Jacob. Beiden kwamen uit de katholieke turnclub van de stad, Kracht en Geduld. De kring vaardigde zelfs maar drie gymnasten af naar de voorselecties. Dat twee van die drie het dan uiteindelijk haalden uit een groep van 600 man, was een historisch moment voor de club.Onlogisch was het ook weer niet, want Domien Jacob behoorde tot de top van de Belgische gymnastiek. Vooral aan de ringen was de jonge gymnast een meester met een prachtige kruishang die hem typeerde. Mede dankzij zijn formidabele prestaties in de teamfinale behaalde België zilver.Dat de zilveren medaille van de Belgen heel wat geweest moet zijn, bewijst de terugkomst van Jacob in Sint-Niklaas. Het plein voor het station zag zwart van het volk en Jacob werd zelfs rondgereden in een koets - wat dan weer erg was voor zijn vrouw die hem niet eens kon omhelzen in alle drukte.En ook na de Spelen ging het de turnclub uit Sint-Niklaas voor de wind. In 1922 deed het nog mee aan het Concours International de l'UIOCEP in het Sloveense Brno, een internationale wedstrijd voor katholieke verenigingen. En daar bevestigde Jacob, de ster van het Belgische team, zijn status. Van de 700 meegereisde Belgische gymnasten werd hij de beste en het team won zelfs het toernooi.Maar de gouden jaren van de Belgische gymnastiek waren van korte duur, want in 1924 mocht ons land niet meedoen aan de Spelen van Parijs.Bekijk hieronder de documentaire 'Een medaille op de kast' over de zilveren Belgen en het leven van Domien Jacob.